Uit de voorgeschiedenis van Oud Hoorn (4/8)
De kerkmeesters wilden het raam uit de kerk verwijderen, ‘omdat dit gebouw, wegens ongunstige finantieelen
toestand der Ned. Hervormde Gemeente moet worden opgeruimd, hetzij als gebouw, hetzij voor amotie’. Aan
de commissie werd gevraagd het raam voor haar kosten naar de Noorderkerk over te brengen. De burgemeester
sabelde als voorzitter van de commissie het verzoek van de kerkmeesters genadeloos neer. Het vorige
voorstel - plaatsing van het raam in het museum en vervanging door een gewoon raam in de kerk was financieel
reeds te bezwaarlijk, ‘maar dan kreeg men ten minste waarde voor de bestede gelden. Dit nieuwe aanbod zou
veel moeite en kosten veroorzaken, en niet ten voordeele van ‘t Museum, maar uitsluitend in ‘t belang van
heeren Kerkmeesters. Men zou geld moeten gaan bijeenzamelen van de Hoornsche ingezetenen, in casu van de
lidmaten der Ned. Herv. Gemeente en dit kunnen K.M.’s beter en gemakkelijker doen dan de Museum-Commissie’.
Bovendien was de burgemeester nog niet zo bevreesd voor het verloren gaan van de oosterkerk, omdat de toren
van de gemeente Hoorn was en bij b. en w. de neiging bestond die kerk als historisch en bouwkundig monument
intact te bewaren. Burgemeester Zimmerman liet weten dat hij over ‘dit interessante gebouw’ al sedert 1896
in correspondentie was met jhr. De Stuers. Met 9 stemmen tegen 1 (ongetwijfeld die van Van Hoolwerff) werd
besloten het verzoek van de kerkmeesters af te wijzen. De commissie liet in het jaarverslag over 1906
geruststellende geluiden over de Oosterkerk horen. Kerkmeesters lieten de westelijke zijgevel restaureren.
‘Hiermede schijnt ook aangeduid te zijn dat het lang bestaande gevaar van slooping van dit merkwaardige
gebouw is verdwenen. Wij constateeren dit met genoegen, juist ook omdat wij, overtuigd dat Kerkmeesters
zelf het behoud van dit bouwwerk steeds hebben gewenscht het voor hen aangenaam vinden, dat verbeterde
geldelijke omstandigheden het hun, thans mogelijk maken niet alleen te behouden, maar zelfs te restaureeren’.
In november 1910 bracht gemeentearchitect Faber het uitstekende wijzerbord van de Oosterkerk ter sprake.
Het uurwerk was defect en kon vanwege de grote kosten niet gerepareerd worden. Voor ƒ 60,- zou
het wijzerbord - met een niet-lopend uurwerk - kunnen worden gerepareerd en behouden blijven. De commissie
wenste behoud van het bord, ook al zou het uurwerk niet lopen. Een half jaar later kon de burgemeester
meedelen dat het wijzerbord behouden en hersteld kon worden, en ‘dat er zelfs kans bestaat dat het in de
toekomst weder den juisten tijd zal aanwijzen’. De gemeente had van een klokkenmaker uit de omtrek, Gebr.
Hinke te Hoogwoud een aanbod tot herstelling van het uurwerk ontvangen dat aanmerkelijk goedkoper was dan
het eerdere van Addicks te Amsterdam. De wijzerplaat werd bovendien voorzien van uur- en minuutwijzers, in
plaats van alleen een uurwijzer, zoals voorheen.
De storm van 30 september 1911 had, tijdens
herstelwerkzaamheden aan de toren van de Oosterkerk, de klok van Willem Wegewaert uit 1496 naar beneden
geworpen. ‘Weinig egoïstisch, viel zij niet op of door het dak der kerk, wat haar behoud had kunnen zijn,
maar kwam in één val op de straat naast het gebouw terecht, waar zij in meerdere stukken brak’. Van het
oude metaal is bij Van Bergen in Heiligerlee een nieuwe klok gegoten, ‘in vorm en versiering aan de
gebrokene gelijk, maar met een randschrift, vermeldende de hergieting in 1912’. Van de oude klok is eerst
door G. Lückens een afgietsel in gips vervaardigd, dat in het museum is geplaatst.
De commissie hoorde met belangstelling en erkentelijkheid voor de goede zorgen van het gemeentebestuur
deze berichten aan. De restauratie van de toren werd in 1912 voltooid. ‘De toren staat nu weder in haar
volle schoonheid daar, en kan thans opnieuw gedurende lange jaren een sieraad blijven van het kerkgebouw
en van onze stad’. In 1916 is besloten het gebrandschilderde raam uit de Oosterkerk te verwijderen en
voorlopig in kisten in het museum op te bergen, in afwachting van het tijdstip dat geld voor de restauratie
aanwezig zou zijn. Nog in hetzelfde jaar kon Kerkmeijer meedelen dat het raam gerestaureerd en herplaatst
zou worden dankzij een subsidie die door tussenkomst van glasschilder Schouten te Delft was toegezegd. In
januari 1918 zei de voorzitter te hebben vernomen dat een ander geschilderd raam uit de Oosterkerk zich
bevond in het Rijksmuseum te Amsterdam.
Kerkmeijer kon dit bevestigen, maar voegde eraan toe dat het slechts een fragment betrof. Hij vond dat
musea zouden moeten overeenkomen om voorwerpen over te brengen naar het museum in het gebied waar ze
oorspronkelijk vandaan kwamen.
Koopmans-, burger- en arbeidershuizen
Terug naar 1904.
Commissielid De Vries had bezoek gehad van rijksbouwmeester Peters, die zich - particulier - interesseerde
voor de ‘inwendige inrichting van oude koopmans-, burger- en arbeidershuizen’. Hij zocht uit nog bestaande
fragmenten gegevens om het totaal van dergelijke in tekening te brengen. De Vries had hem bekende antieke
huizen laten zien, maar Peters betreurde het dat er in Hoorn geen van wat op dit terrein hier nog aanwezig
is en dat geen opmetingen gedaan of afbeeldingen gemaakt werden van de bestaande fragmenten. De Vries vroeg
zich af of het niet op de weg van de commissie zou liggen om in elk geval te beginnen met een dergelijke
lijst. Besloten werd dat de Commissie voor afbeeldingen van antieke bouwwerken zich daarmee onledig zou houden.
Kloosterpoort
In december 1904 sprak de waarnemend voorzitter de wens uit het Kloosterpoortje te ontdoen van de gaslantaarn
en de gaspijpen die het ontsierden. Van Hoolwerff beloofde het in de commissie voor de gasfabriek ter sprake
te brengen. In mei 1905 bleek er nog niets gedaan te zijn aan de ‘veelbesproken’ lantaarn en besloot men
b. en w. daarover te schrijven. Dit had resultaat; in december deelde de voorzitter mee dat de lantaarn was
weggenomen.
Schoolsteeg 5
Kerkmeijer liet in maart 1905 weten dat een deur en ramen met luiken van de afgebroken voorgevel van het
huis van Van der Veen in de Schoolsteeg (nummer 5) te koop waren; hij vroeg of het museum daar bijvoorbeeld
ƒ 10,- voor over had en kreeg toestemming van de commissie de zaak met de eigenaar te bespreken.
Het ‘schilderachtig trapgeveltje’ was op 5 januari door brand vernield. Hoe dit is afgelopen ben ik niet
tegengekomen.




Nieuws