Uit de voorgeschiedenis van Oud Hoorn (8/8)
Commissielid De Vries verklaarde dat hij als wethouder niet bepaald tegen aankoop is geweest, maar het
toch betreurde dat de gevel eigenlijk geheel nieuw zou worden en daardoor, wat hem betrof, zijn
antiquarische waarde zou verliezen. Hij vroeg zich af of het niet mogelijk was nog andere gedeelten van
de oude gevel dan de puibalk in de nieuwe gevel te plaatsen.
Kerkmeijer antwoordde hierop dat de architectonische waarde van de gevel, ook volgens de Nederlandsche
Oudheidkundige Bond, zo boven alle twijfel verheven was, dat restauratie, zelfs met geheel nieuw materiaal,
ten zeerste was aan te bevelen.
Brouwer wees nog op de interessante binnenarchitectuur, die zou verdwijnen als de gemeente niet koopt.
Hij vond dat behalve de puibalk ook de zandstenen lijst daarboven, de gesneden houten consoles, het
deurkalf met jaartal en de deur, alsmede de gevelstenen en een groot deel der metselstenen van de
bovengevel weer gebruikt konden worden. Op die wijze werden alleen de dragende houten constructiedelen
van de onderpui en de bovenkozijnen geheel vernieuwd.
Met algemene stemmen werd nu besloten positief te adviseren over de aankoop door de gemeente en daarbij
tevens te wijzen op de wenselijkheid om zoveel mogelijk het oude materiaal weer te gebruiken. De Vries
wenste dat Faber en Kerkmeijer toezicht zouden houden bij de restauratie. De burgemeester merkte op dat
het een gemeentezaak was en dat Faber als gemeentearchitect verantwoordelijk was voor de restauratie.
‘Intusschen - als de heer Faber geen bezwaar heeft tegen een samenwerken met den heer K. in deze? De heer
Faber antwoordt dat het hem aangenaam zal zijn bij deze restauratie te kunnen gebruik maken van de adviezen
van den heer Kerkmeijer, en de heer K. verklaart zich gaarne bereid om, voor zoo ver noodig, in deze van
advies te dienen’.
Op 11 april 1917 werden in de commissie mededelingen gedaan omtrent de Fraghtwagen. De gemeente had het
pand voor ƒ 3.250,- gekocht en Faber had een restauratieplan gemaakt, dat zou worden uitgevoerd
in overleg met de Rijksbouwmeester Adolf Muller. ‘Zoodra het weer iets zachter is, wordt met het werk
begonnen, dat niet aanbesteed maar uit de hand zal worden uitgevoerd door den timmerman v.d Berg, die ook
bij den aankoop zijn goede diensten verleende’.
In december kon de burgemeester melden dat de restauratie ten einde was gebracht op enkele kleinigheden na,
bijvoorbeeld reparatie van enige luiken en het van de kalklaag ontdoen van de metselsteen aan de
bovenverdieping. Een woord van dank aan het adres van Faber en Kerkmeijer voor hun leiding van deze
restauratie werd door de commissie met applaus onderstreept.
De commissie beperkt zich weer tot museumtaken
Nadat de commissie van toezicht op het Westfries Museum een belangrijke stoot had gegeven tot de oprichting
van de Vereniging Oud Hoorn en de Bouwplancommissie kon zij zich weer volledig gaan wijden aan de museumtaken
en zien we de ‘monumentale’ kwesties langzamerhand uit de commissieverslagen verdwijnen.
Commissielid Donker gaf blijk van historisch inzicht toen hij in april 1917 opmerkte dat de jaarverslagen
behalve de geschiedenis van het museum ook de geschiedenis bevatten van ‘hetgeen in ‘t belang van onze oude
bouwwerken is verricht. Dit kan voor later een goede vraagbaak zijn.’
Zijn voorstel die jaarverslagen te laten bijeenbinden en te voorzien van een alfabetisch register vond bij
alle leden instemming.
In december 1917 sprak de commissie nog over de slecht gerestaureerde en weer bouwvallig wordende gevel van
fotograaf Schepel aan het Grote Noord 40, maar men laat dit verder voor wat het is.
Donker vestigde in dezelfde vergadering de aandacht van de commissie op het fraaie stucwerk in het gebouw
van de remonstrantse gemeente, dat het zeer waard is van de witkalk ontdaan en schoongemaakt te worden.
‘Men zal dit ter sprake brengen in de Vereniging “Oud-Hoorn”, waar het te huis behoort’, werd hem geantwoord.
Op 23 januari 1918 tenslotte kwamen plannen ter sprake voor een Gids van Hoorn. De commissie was ten zeerste
ingenomen met deze plannen en vond dat ze ondanks de ongunstige tijden moesten worden uitgevoerd, ‘waardoor
die “Gids” klaar kan zijn tegen den tijd dat weder een grootere toevloed van vreemdelingen kan worden tegemoet
gezien’.
‘Toch meent men dat deze zaak meer eigenaardig bij de jonge Vereeniging “Oud-Hoorn” te huis behoort dan bij
onze Commissie’. De aanwezige bestuursleden van Oud-Hoorn verklaren zich bereid de zaak in hun midden nader
te overwegen.
Tot zover dit inventariserende overzicht van de rol van de commissie van toezicht op het Westfries Museum
in de monumentenzorg te Hoorn in de periode voor de oprichting.




Nieuws