Vereniging Oud Hoorn    Oost-Indisch Pakhuis - Onder de Boompjes 22, 1621 GG Hoorn - Telefoon: 0229 - 27 35 70 - www.oudhoorn.nl

Martin Brozius, de Hoornse clown

Eerder verschenen in Oud Hoorn Kwartaalblad 1992 nr. 1 (maart), pagina 36-41.
Auteur: Herman Landsdaal.

De vrijbuiter van het Kerkplein die op de kermis begon met "gekke mannetjes"

In de vier jubileum-uitgaven van dit jaar wil de redactie oud-stadgenoten aan het woord laten, die op welk terrein dan ook nationaal bekend zijn geworden.
De eerste in de rij is Martin Brazius, geboren en getogen in de oude stad, die jarenlang furore maakte in de varieté-wereld; ijsshows, opera's, cabaret, musicals, toneel en ballet. Z'n grootste bekendheid kreeg hij echter door de presentatie van het bij de jeugd razend populaire t.v.-programma "Ren je rot" (van 1973 tot 1983).
Brozius was een dankbare gesprekspartner voor Herman Lansdaal, die zich in bijgaand interview alleen tot de jeugdjaren van de onvervalste Hoornse mannetjesmaker beperkte. Maar dat was al boeiend genoeg.

"De MULO van meester Holtkamp aan Onder de Boompjes stond min of meer naast ons huis. Geen minuut lopen, maar toch vaak net niet op tijd of zeg maar altijd te laat. Ik had dan al horden leerlingen met dikke tassen achterop hun fiets zwaar trappend voorbij onze ramen zien komen. Als het 's winters vroor dat het kraakte, had ik met die gasten te doen... Al tien of meer kilometers achter de rug en dan zat ik nog lekker thuis aan m'n koppie thee en m'n broodje kaas. Toen heb ik een keer een geintje uitgehaald. Op een morgen piepte ik heel vroeg als eerste ons lege klas lokaal in. Op het bord krijtte ik met grote letters HEDEN IJSVRIJ! en zette daar in schrijfschrift H.G. Holtkamp onder. De handtekening van "blubber" was zeer geslaagd, ze leek als twee druppels water. Terug in huis zat ik me te verkneukelen op wat er zou gebeuren. Verkleumd, dik ingepakt en hijgend tegen de sneeuwjacht in, zag ik ze weer voorbij ons huis komen. Drie minuten later fietsten ze joelend en juichend terug. IJSVRIJ, lekker schaatsen. Prachtig toch? Bijna de hele klas ging die dag terug naar huis. Vijf voor half negen stapte ik als de vermoorde onschuld de klas binnen, maar dat bleek op te vallen. Ik kon meteen vertrekken, ze wisten wie 't geflikt had. Dat waren de twee druppels die de emmer deden overlopen. Ach ja, er was 's zomers ook zoveel gebeurd en in de lente daarvoor. Ik werd van school getrapt, maar 't deed geen zeer, want ik had erg genoten van dat Minst Uitgebreide Lager Onderwijs."

Martin Brozius trekt een van z'n vele grimassen tijdens een drie uren durende terugblik op z'n merkwaardige, uiterst kleurrijke, voor hem nooit meer te vergeten jeugd in Hoorn en wat er daarna allemaal gebeurde met de talentrijke zoon van een eenvoudige timmerman van Achter op 't Zand. Z'n verhaal trekt als in een chaotisch geregisseerde film met vallen en opstaan, vreugde en verdriet, weemoed en warmte, vol krankzinnige anecdotes aan z'n herinnering voorbij.
De clown Martin Brozius, in november 50 jaar geworden, weet nauwelijks van ophouden. Hij raakt bij zichzelf de trillende snaar van zijn jeugdjaren en vertelt daarover alsof hij nog in het verveloze huis op Kerkplein nummer 17 woont in plaats van in een eigen huis op nummer 17 ergens in Amsterdam Oud-Zuid. Hij ziet al vertellend steeds meer Hoornse beelden voor z'n geest opdoemen en zegt:
"Hoorn is de smeltkroes geweest , ik heb er zo ontzettend veel meegemaakt. Nog proef ik de sfeer van het oude stadje in de jaren pal na de oorlog, het Havenkwartier, de vissers, de kwajongens, die we waren, m'n jaren in het Weeshuis, de verhuizingen, wat een arme tijd en toch zo rijk. Ik moest het altijd van geintjes hebben, ik was geen bodybuilder. Met grappen en grollen hield ik fysiek sterke jongens van me af. Het zat er al vroeg in. Ik wist dan ook al heel lang wat ik wilde worden, zoiets als Tom Manders, Dorus of nog mooier ... Toon Hermans. Die zag ik voor het eerst op de zwart-wit t.v. in het Gezellenhuis op de hoek van het Kerkplein, waar ome Jan Entius woonde. Ik zat daar vaak met m'n klaverjasmaatjes. Toon deed toen die show met de stoel van z'n zuster. Dat vond ik zo fantastisch. Carré... Ik droomde er jaren later nog van. Maar hoe komt een jongetje van twaalf jaar op de planken in Carré? Dat leek natuurlijk onbereikbaar. Toen ik er eenmaal als man toch tussen glitter en goud stond, toen heb ik nog wel 's gedacht aan dat slungelige jochie uit Hoorn, die van alles deed om de clown uit te hangen. Brozius, je hebt 't toch maar mooi voor mekaar, dacht ik dan. En ik genoot..."

Vrijbuiter

Martin Brozius, de vrijbuiter, de solist. Als jongetje van vijftien, zestien presenteerde 'ie zich voor het eerst aan een echt publiek op de kermis in Hoorn. Dat was in de tent van Lamerus, die loten aan de man bracht in z'n attractie op de hoek van Gouwen Nieuwstraat.
"Ik deed Tom Manders na, Joseph Schmidt of zo maar een mannetje, droeg ook snorretjes, zette bolhoedjes op, zong en deed gek. De mensen bleven kijken. Dat was ook de bedoeling van Lamerus. Kon hij z'n loten ondertussen slijten. Als het zakie verkocht was, gingen de prijzen er uit en begon ik met m'n act aan de volgende ronde. Prachtig om te doen. Op de kermis verdiende ik m'n eerste echte gage, 'n paar kwartjes..."

De mannetjesmaker van toen komt elk jaar in augustus terug voor de kermis, waar de jonge Brozius z'n eerste publiek vermaakte. Hij kan er niet buiten, snuift er de sfeer-van-toen en ziet zich nog steeds staan, daar waar het allemaal begon.

Dan loopt 'ie naar Achter op 't Zand, waar z'n geboortehuis stond op nummer 58. Dat is nu al lang verdwenen, herbouwd als het is in het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen, evenals nummer 56, waar buurvrouw Fluiter woonde. Op het schuin aflopende talud naar de haven slaagde Martin er al vroeg in het bestek van z'n moeder weg te maken in een winkeltje, dat hij er met veel fantasie voor buurtkinderen had ingericht. Hij herinnert zich ook dat 'ie daar de door zijn vader gemaakte groene stoeltjes met roze verf onderkladderde. Kleine Brozius banjerde er rond in het Havenkwartier op klompjes en in de kleertjes van z'n oudere broers ("ik kreeg zelden wat nieuws"). Vier jaar oud verhuisde Martin met vader mee naar het Achterom.

Bij de nonnen

De naweeën van de oorlogsjaren waren vader Brozius niet bespaard gebleven. Door de nood gedwongen zocht moeder tijdelijk elders onderdak. Vader Thijs en z'n vijf kinderen trokken in het huis van opa Brozius op het Achterom 9. Daar bleven ze echter niet lang; één deur verder was de ingang van het vroegere katholieke weeshuis, dat intussen bejaardenhuis Sint Jozef was geworden. Dat werd het nieuwe onderkomen voor de kinderen Brozius. Nonnen zwaaiden er de scepter. Aan het hoofd ervan stond zuster Bonuslavia, die als "moeder" ook de schoolrapporten van de zogenaamde weeskinderen tekende. Martin bewaart dat rapport van toen als een kostbaar kleinood tussen z'n tastbare Hoornse herinneringen.
De r.k. jongensschool was om het hoekje van de deur. Martin dreunt achter elkaar de namen op van het onderwijzend personeel: juffrouw Jonk, juffrouw Schermer en de meesters Rozemeijer, Ruyter, Poot, Haring, Schuld en Schoof. "En van Timmermans kregen we zang en voordracht. Ik hoor ons nog het Kwezelke zingen, gek hé?"
Tekenen kon Martin als een van de besten. Op z'n rapport staan negen-en-halven, maar opeens ook mindere cijfers. Is dat niet vreemd? Hij schudt z'n hoofd.
"Er kwam een jongetje uit Nederlands-Indië op school. Die kon nog mooier tekenen dan ik. Ik kon niet tegen 'm op. Toen liet ik het zitten en daarna gingen ook al m'n andere cijfers omlaag. Dat had niets met dat jongetje te maken, wél omdat m'n moeder na een paar jaar terugkwam, weer voor ons ging zorgen en we het weeshuis uit mochten. Ik zie ons nog gaan door de Geldersesteeg, ieder met z'n eigen stromatras, mok, tinnen bordje en roestig bestek op weg naar een kleine, tochtige woning aan het Kerkplein nummer 17".

Op het Kerkplein

Het huis was van tante Marie Brozius, die een café-slijterij had op de hoek Kerkplein-Nieuwstraat. "M'n vader moest sappelen, maar tante Marie was rijk. En ze waren toch kinderen uit één gezin, daar snap je soms toch niks van..." Voor de kleine clown ging er een nieuwe wereld open achter de Grote Kerk. Op het plein was 'ie plotseling zo vrij als een vogel, het keurslijf van het weeshuis knelde niet meer en hij ontdekte van alles, waar 'ie voorheen geen weet van had gehad.
"Toen we in het weeshuis woonden, ging ik graag naar school, dat was eigenlijk mijn wereldje, ik ontvluchtte er als het ware dat gedoe bij de zusters, want wat er in dat weeshuis allemaal gebeurde... En er mocht ook nooit wat! Niks voor mij. Eenmaal op het Kerkplein was het opeens over met de school. Ik geloofde het wel. Rond ons huis in de oude buurt was het veel spannender, leuker, je beleefde er van alles".
Toch had Martin ook wel eens de show bij de nonnen gestolen. Als misdienaartje leefde hij zich uit in de rol van de kleine acteur met een heus missaaltje. Hij mocht ook de mis doen aan het gefiguurzaagde altaartje in een dito kapelletje. Alsof 'ie al de priester was, die hij later zou moeten worden... Maar het liep wel even anders. Hoewel katholiek van huis uit stoorde hem, zegt hij nu, "het liefdeloze gebeuzel dat ik om me heen ontdekte. Toen ik eenmaal het huis uit was, moest ik er dan ook niets meer van hebben".
Maar gelachen heeft 'ie er desondanks. Met verve vertelt 'ie van de struikel partij over z'n te lange toog, toen 'ie zwaaiend met het wierookvat op de grond viel; brandende wierookkorrels in z'n gezicht. De nonnen schrokken zich te pletter. Ze betten z'n wonden in de kapel met wijwater, terwijl de dienst gewoon doorging.
"Pijn? Jazeker, maar het was achteraf toch niet zo onaardig allemaal, want de kapel zat vol met beminde gelovigen, doorgaans aandachtige kerkgangers, maar ik denk dat ze toen meer op mij dan op de priester letten".