Geschiedenis Oud Hoorn 1 (3/3)
De minimum contributie wordt bepaald op 1 gulden.
Bij koninklijk besluit van 15 november 1917 werden de statuten goedgekeurd.
De commissie bleef aan als voorlopig bestuur tot aan de tweede ledenvergadering op 21 december 1917.
In het eerste bestuur werden gekozen:
Johan Christiaan Kerkmeijer (42), leraar tekenen aan de Rijks H.B.S.;
Maarten Storm (53), schilder;
Jacob Faber (49), gemeentearchitect;
Adrianus Brouwer (61), secretaris Westfries Museum;
Leonardus Antonius Roozen (35), kapelaan;
Gerhard Heinrich Lückens (35), stucadoor;
Klaas Zijp (33), houthandelaar.
Kerkmeijer werd president, Faber vice-president, Roozen eerste secretaris, Brouwer tweede secretaris,
Storm Penningmeester en Lückens archivaris.
De Bouwplancommissie
Naar aanleiding van de dreigende sloop van de panden aan het Breed en Onder de Boompjes in 1916 was de
commissie van toezicht op het Westfries Museum algemeen van gevoelen dat alleen ingrijpen van
regeringswege verbetering in dergelijke betreurenswaardige toestanden zou kunnen brengen. Voor behoud van
het antieke door het geven van subsidies; tegen ontsiering van stadsgedeelten door er niet in passende
nieuwbouwwerken zou het gemeentebestuur een ‘schoonheids- of gevelcommissie’ kunnen instellen.
Besloten werd b. en w. te verzoeken de aandacht van het rijk op de bedreigde gebouwen te vestigen en de
instelling van een schoonheidscommissie te overwegen.
Kerkmeijer en Brouwer verzamelden inlichtingen over de situatie in andere plaatsen en Faber bracht mede
aan de hand hiervan in april 1916 rapport uit omtrent schoonheidscommissies en bemoeiingen tegen het
slopen van oude bouwwerken en het verrijzen van lelijke nieuwe gebouwen.
Faber zag drie manieren om in dit opzicht te handelen:
- b. en w, het recht geven om bij elk nieuw te stichten gebouw het uitwendig aanzicht te beoordelen en op grond van dat uitwendig aanzicht eventueel de toestemming tot de bouw te weigeren; dit kan worden opgenomen in de bouwverordening;
- dit recht te beperken voor bouwwerken op door de gemeente verkochte of in erfpacht gegeven terreinen;
- door het optreden van particuliere verenigingen of commissies, die het oude interessante trachten te behouden en het nieuwe in de goede richting trachten te sturen.
Faber vond de tweede manier weinig afdoende; de derde kon alleen succesvol zijn als men subsidies kan
geven. De eerste manier kon aanleiding geven tot moeilijkheden met de bouwondernemers, die in Hoorn
dikwijls hun ontwerpen laten maken door een timmerman, niet door een deskundig architect. Bovendien was
het de vraag of de Provincie hiervoor goedkeuring zou geven.
De burgemeester achtte het gewenst om maar direct flink door te tasten, de bouwverordening te wijzigen en
dan maar af te wachten of er verzet komt. Faber vreesde toch ernstige bezwaren van de bouwers en vond
officieus overleg met hen, adviezen en besprekingen gewenster dan de officiële weg.
Besloten werd de wensen van de commissie omtrent het wijzigen van de bouwverordening schriftelijk ter
kennis van de gemeente te brengen. In december 1917 vroeg de gemeente aan de museum-commissie
“voorlichting omtrent inrichting en werkwijze der in te stellen Schoonheids-commissie”. De secretaris had
een ontwerp-reglement gereedgemaakt dat in discussie werd gebracht. Faber meende dat men zich voorlopig
geen al te grote illusies omtrent de resultaten moest maken. Elders heeft men grote teleurstellingen
ondervonden. Deze voor Hoorn tot een minimum te beperken zal alleen dan mogelijk zijn, wanneer de
commissie zorgt vooraf, dus voordat een bouwontwerp geheel gereed en aan b. en w. ingezonden is, in
overleg te treden met bouwondernemers of architecten. Dan wil men allicht nog een advies aannemen en een
wijziging aanbrengen, eerder dan wanneer het plan uitgewerkt is. Ook waarschuwde Faber tegen “het willen
doordrijven van een eigen stijl, door enkele pre-dominerende leden van de commissie. Dit veroorzaakt
ter Amsterdam telkens groote moeilijkheden!”
De burgemeester was het met Faber eens dat preventief werken altijd het beste is. Faber merkte nog op dat
men in de meeste gevallen tevreden zal moeten zijn als bepaald lelijke wansmakelijke bouwwerken kunnen
worden geweerd. Monumentale gebouwen worden in Hoorn toch weinig of niet gesticht. Kerkmeijer voerde
daarentegen aan dat ook een klein eenvoudig gebouw werkelijk schoon kan zijn. Hij kende voorbeelden van
kleine, onbetekenende huisjes die door een betrekkelijk geringe ingreep van een wansmakelijk tot een
schoon geheel werden omgewerkt.
De commissie wenste de naam ‘Schoonheidscommissie’ te behouden. Maar die commissie zou dan moeten zorgen
dat alle bouwkundigen en architecten hier ter stede zouden weten dat de gelegenheid bestaat vooraf hun
bouwontwerpen met de commissie te bespreken.
Bij de artikelsgewijze behandeling van het reglement verlangde de museumcommissie dat alle ontwerpen in
handen der Schoonheidscommissie zouden komen. Voor het overige werd het ontwerp van de secretaris in
grote lijnen overgenomen. Op 23 januari 1918 deelde de burgemeester mee dat b. en w. twee wijzigingen
in het concept-reglement hadden aangebracht: de naam was gewijzigd in ‘Bouwplancommissie’ en de
gesalarieerde secretaris buiten de commissie was geschrapt. Een der leden zou dus secretaris (tevens
penningmeester) moeten zijn.
Al op 7 juni 1917, de dag na de oprichting van Oud Hoorn, had de gemeenteraad een nieuw artikel 10a
toegevoegd aan de bouw- en woningverordening. Het luidde als volgt:
“Het uiterlijk van een gebouw, met al wat daartoe behoort, hekken, muren en dergelijke, moet zoodanig
zijn dat het noch op zich zelf, noch in verband met de omgeving uit een oogpunt van welstand aanstoot
kan geven”.
Op 16 januari 1918 keurde de raad het reglement voor de bouwplancommissie goed. De installatie vond
plaats op 8 februari. In de commissie werden benoemd namens Oud Hoorn J.C. Kerkmeijer, P. Nooteboom,
ds. J. van Dorp en G.M. de Jongh Schiffer. Voorts maakte gemeentearchitect J. Faber deel uit van de
commissie en werden als buitengewoon lid aangewezen W. van der Pluijm, architect te Amsterdam, namens
de Nederlandsche Oudheidkundige Bond en P.N. Leguit, architect te Alkmaar, namens de Maatschappij tot
Bevordering der Bouwkunst.
Met de komst van Oud Hoorn en de instelling van de bouwplancommissie was de grondslag gelegd voor een
intensieve bemoeienis van zowel gemeentelijke als particuliere zijde met bouwplannen in de binnenstad
van Hoorn.



Nieuws