Fa. De Gruyter & Zoon, bloei en teloorgang

Voormalig Hoorns winkelpand Nieuwsteeg

Auteur: Henk Overbeek

 

Eén van de meest opvallende winkelpanden in de binnenstad is de winkel van voorheen het kruideniersfiliaalbedrijf P. de Gruyter & Zoon, nu dependance van Vroom & Dreesmann, gevestigd op de Noord-Westhoek van de Nieuwsteeg-Nieuwe Noord. Alle winkel panden van dit voormalige kruideniersbedrijf kenmerken zich door bijzondere architectuurvormen met decoratieve gevelafwerkingen. Bovendien waren ze meestal te vinden op een kruispunt van drukke straten, waardoor ze nog extra indruk maakten. Ook het interieur van deze winkelpanden was rijk versierd met luxe materialen. Dit was geheel overeenkomstig de uitgangspunten van situering en visuele aantrekkelijkheid, die de bedrijfsstrategie beoogde: een maximale herkenning van het exterieur door zijn kenmerkende vormgeving en een inrichting van het interieur, vooral voor de oorlog, gericht op de smaak van de elite en middenklasse. Doordat de waardering voor de jongere bouw kunst de laatste tientallen jaren is toegenomen, is het ook niet vreemd, dat er binnen de kring van monumentenbeschermers belangstelling ontstond voor een aantal nog bestaande 'De Gruyter' winkels. Dit leidde vervolgens tot monumentale bescherming van verscheidene winkelpanden, zoals die in de Nieuwsteeg, die dan ook het predikaat gemeentelijk monument kreeg.

Omdat de firma De Gruyter binnen de Nederlandse kruideniersgeschiedenis een belangrijke rol gespeeld heeft en de Hoornse De Gruyterwinkel daar ook zijn steentje toe heeft bijgedragen, is het de moeite waard om bij de geschiedenis van opgang en teloorgang van zowel het moederbedrijf als de Hoornse vestiging stil te staan.

 

Geschiedenis

De geschiedenis van deze kruideniersonderneming vindt zijn oorsprong in 1881. Dan koopt Piet de Gruijter (eigennaam met ij), zoon van Henricus, eigenaar van een rosgrutmolen, een grutterij in 's-Hertogenbosch. Enige jaren nadien volgt de aankoop van een eerste winkeltje in de buurt, dat hij aanpast voor de verkoop van zijn eigen producten. Hiermee wordt de kiem gelegd voor het basisprincipe van de bedrijfsvoering voor de gehele verdere bestaansperiode van het bedrijf.

Piet de Gruijter staat in zijn omgeving bekend als een lepe en slimme handelaar. Hij komt op het idee om de voorraad van de boeren op te kopen en die op de markt weer te verkopen tegen uiteraard een hogere prijs. Het meerverdiende geld steekt hij in eigen zak. Het zou de boeren tijd en geld besparen, doordat zij hun goederen voor verkoop niet meer zelf naar de markt hoeven te vervoeren. Deze handelswijze levert hem echter de naam 'Piet den Dief' op. Volgens verdere overlevering zou hij te veel voor eigen gewin hebben geïnd in de tijd dat hij pachter was van de inning van 'tienden', een belasting in natura. En bij de weging van granen zou hij de verpakking hebben meegewogen en ervoor hebben laten betalen. De jongste zoon, Louis, wordt in 1862 als firmant opgenomen, wat tevens de firmanaam T. de Gruyter & Zoon' inluidt. In de jaren 1890 worden vervolgens twee zonen van Louis, Lambert en Jacques, als firmanten ingelijfd. Zij geven een grote stoot aan de expansie van het bedrijf. De laatsten voeren als eersten in den lande het kortingssysteem van 10% in, op basis van de (bij ouderen nog bekende oranjebruine) kassabonnen. Deze worden pas verstrekt na contante(!) betaling. De voordelen zijn, dat bestellingen eerder door de klant worden betaald, zodat geld korter uit staat! Korting wordt dus achteraf betaald, terwijl gedurende de periode, dat nog niet is uitbetaald de waarde ervan als bedrijfskapitaal fungeert. Tenslotte zal altijd een deel van de bonnen, door wat voor oorzaak ook, nooit meer worden ingeleverd. Ook van deze bonnen gaat de waarde weer in de zaak.

In 1916 wordt het predikaat 'Koninklijke' verleend en wordt de onderneming in een Naamloze Vennootschap omgezet. Zij heet voortaan 'Industrie - en Handelsmaatschappij P. de Gruyter & Zoon'. In 1921, als het bedrijf is uitgegroeid tot Nederlands grootste kruidenier - er zijn dan 99 winkels - wordt aan de bedrijfsleiding de zoon van Flambeert (moet dit niet Lambert zijn?) , Lodewijk, toegevoegd en in 1928 nemen de zonen van Jacques, Lo en Gerrit hun plaats in. Tijdens die periode bereikt de onderneming haar grootste omvang. In 1960 op het toppunt van bloei en expansie bestaat het concern uit 550 winkels, 17 fabrieken met samen 7500 werknemers. Maar tegelijkertijd doemen er donkere wolken op aan de kim van het imperium. Het is de tijd van de plotselinge versnelling van allerlei nieuwe dingen vanuit Amerika, zoals het verschijnsel van zelfbedieningswinkels en -(super)markten.
Dit zelfbedieningsconcept is reeds in 1948 ingevoerd door de Nijmeegse 'straatkruidenier-op de-hoek', Chr. van Woerkom.

Maar Albert Heijn als snel zeer sterk opgekomen grote concurrent met een jongere en progressievere directie dan die van de Gruyter, gaat ook spoedig met dit nieuwe concept experimenteren. Het slaat aan. De Gruyter, als 't ware in een titanengevecht gewikkeld met zijn grote branchegenoot, tracht terug te slaan met een nog grotere inzet van dienstverlening. Een nog specifieker assortiment wordt samengesteld, toegespitst op het meer kwaliteitsgerichte deel van de bevolking. Helaas, het lukt niet. Te laat wordt alsnog de omslag gemaakt naar het zelfbedieningsstelsel. Te veel klanten zijn reeds gewend aan andere merken achter andere gevels, die andere namen dragen.

Het einde

De Gruyter is tot het einde toe een familiebedrijf gebleven. De onderneming wordt in 1970 overgenomen door de Steenkolen-Handelsvereniging (S.H.V.), in grootte het derde Nederlandse levensmiddelenbedrijf. In 1972 tracht de S.H.V. door middel van een grote actie de nog overgebleven winkels onder de naam 'Gruma' ( 'De Gruyters Massamarkt') nog nieuw leven in te blazen. Ook dat mag niet baten. Nadat in 1977 de 'Spar' met de resterende winkels nog een vergeefse poging waagt, lossen ook deze definitief op in verscheidene andere bedrijven. Dat betekent tevens, dat 'Het snoepje van de week' vanaf dan niet meer genoten kan worden en dat 'Een betere waar én 10% alléén de Gruyter' ook niet meer waar is.

 

Huisarchitecten

De eigen huisstijl ontwikkelt zich gedurende het gehele bestaan van het bedrijf en wordt gerealiseerd door in eigen bedrijfsdienst zijnde architecten. Dat zijn WG. Welsing (1858-1942) en T.P. Wilschut (1905-1961).

W.G. Welsing bouwt in zijn aanvangsperiode volgens de neorenaissance. Zijn eerste dienstverband bij het architectenbureau van G.B. en A. Salms in Amsterdam zal hier niet vreemd aan zijn. Vanaf 1900 worden onder invloed van het Rationalisme van Berlage en de Bazel zijn werken soberder en zijn materiaalgebruik doelgerichter. Zijn De Gruyterwinkels vallen op doordat de hoofdvorm van de winkelpanden een eigen variant van de Amsterdamse Schoolstijl, één van de stromingen binnen het Expressionisme, laat zien. Van het Rationalisme, de bron van o.a. de expressionistische Amsterdamse Schoolrichting, neemt hij nog een kenmerk mee. Namelijk een sterk opgaand torenachtig, meestal symmetrisch en enigszins risaliserend (naar voren springend) middendeel, dat iets boven de zijvleugels van het bouwwerk uitrijst. Ook de opgaande pilasterachtige lisenen van de overige geveldelen versterken het oprijzende karakter van de gevelopbouw. Vormt het midden- of hoofddeel van de gevel de hoek van twee straten, dan bevindt zich hier de torenachtige gevelopbouw en versterken zwaarder uitgevoerde hoeklisenen door hun overhoekse vorm het torenachtige effect. Zowel de onderpui als de winkelinrichting hebben een art deco-achtige afwerking. Vooral aan de winkelpuien in de drukke straten van de grote steden is deze vormgeving zichtbaar. In Den Haag staat nog, naar zijn ontwerp, de gemeentelijk monumentaal be schermde De Gruyterwinkel van 1917 als één van de weinige winkels, waarvan de gehele gevel een uiterlijk in art-deco-trant heeft gekregen.

Art-Deco

Welsing was ook actief voor Vroom en Dreesmann. De naamgeving Art-Deco is ontleend aan de wereldtentoonstelling met de naam: 'l'Exposition Internationale des Arts Décoratifs et Industriels Modernes', die in 1925 te Parijs wordt gehouden. De Art-Deco manifesteert zich vooral in de periode 1910-1940. Gedurende de jaren-60 van de vorige eeuw bloeit deze stroming weer op. Merkwaardigerwijze krijgt deze decoratie en gebruiksgoederenstijl dan pas de benaming van Art-Deco. In de Verenigde Staten neemt de Art Deco een grotere vlucht dan in West-Europa. Er zijn twee richtingen binnen deze stroming: een traditionele richting, georiënteerd op de 18 en 19 eeuw en gekenmerkt door het gebruik van kostbare materialen en handwerk. De andere z.g. modernistische richting legt zich toe op gebruik van nieuwe materialen, machinale productie wijze en functionaliteit.
'Moderne' materialen van toen kunnen zijn: celluloid, triplex, chroom, nikkel en decoratieve elektrische verlichtingselementen.
De traditionele richting maakt gebruik van dure uitheemse houtsoorten, lak- werk, natuursteen, gekleurd glas en kristal, zelfs zilver ingelegd in ivoor. Art-deco is vooral de benaming van een kunstnijverheidsstijl en nagenoeg onafhankelijk van de architectuur, schilder- en beeld houwkunst.

Voor zover de Art-Deco binnen de Nederlandse architectuur wordt aangetroffen, heeft deze stijl hoofdzakelijk gefungeerd als een decoratieve ondersteuning van het bouwkundig ontwerp. Als architectuurstroming zijn de meeste voorbeelden aan te treffen binnen de expressionistische Amsterdamse Schoolstijl. Het Tuschinskitheater te Amsterdam van 1921 en de vroege winkels van De Gruyter tonen er voorbeelden van.

 

De Hoornse vestiging

Op 22 februari 1928 dient de N.V. Koninklijke Industrie en Handels mij. van P. de Gruyter en Zoon te 's-Hertogenbosch een bouwaanvraag in voor een De Gruyter winkel in Hoorn, ondertekend door het Hoofd van de afd. Bouwwerken J(an) Keulemans. Uit de aanvraag blijkt dat aan het hoofd van het bouwbureau van het bedrijf geen architect stond. Evenmin ondertekende de ontwerper zijn ontwerp. Het zou kunnen, dat het ontwerp van de Hoornse winkel niet direct tot stand is gekomen door of onder leiding van de huisarchitecten Welsing of Wilschut. De bouwaanvraag dateert van begin februari 1928. In 1925 heeft Welsing de dienst verlaten, terwijl Wilschut na februari 1928 in dienst is getreden. Is het ontwerp niet van de hand van Wilschut, dan is het goed mogelijk, dat een andere medewerker van het bouwbureau voor het Hoornse ontwerp van al bestaande ontwerpen van Welsing gebruik heeft gemaakt. De adjunct-gemeentearchitect van Hoorn H.J. Rodenhuis adviseert op 25-2-1928 het College van B. & W. positief. Daarbij merkt hij op dat er een vergunning vereist is voor het onttrekken van perceel Nieuwsteeg 11. (hoek Nieuwe Noord). Ook hier heeft hij geen bezwaar tegen. De bouwaanvragen worden in deze periode kennelijk voortvarender behandeld dan tegenwoordig, want eveneens op 25-2-1928 luidt het advies van de Bouwplancommissie: geen bezwaar. Het advies is ondertekend door de gemeente-architect H.J. Faber. Er worden echter een aantal bepalingen aan het advies toegevoegd: er mag geen bepleistering worden aangebracht, het plaatsen van glas. afwijkend van dat in de omgeving en de keuze van de kleur van het buitenwerk dient in overleg met de gemeentelijke Bouwplancommissie te geschieden.

Ook een gewijzigd plan, waarin de naam van de firma in plaats van twee maal één maal in het fries wordt vermeld, wordt goedgekeurd met in achtneming van het advies van 25-2-1928. Bij het gewijzigde plan worden nog de bouwkosten van tussen f 11.001,- en f 12.001, - vermeld. Op het positief advies van de bouwplancommissie naar aanleiding van het gewijzigde plan van 5-3-1928 aan B. & W. staat nog door onbekende hand in potlood aangetekend garage- en pakhuispanelen in de deuren vierkant maken' in plaats van volgens de bouwaanvraag de deuren te voorzien van een paraboolboogpaneel. De dag daarna reeds geeft het gemeentebestuur vergunning tot bouwen overeenkomstig de adviezen van de bouw plancommissie.

Merkwaardig is, dat in afwijking van het bouwplanadvies de deuren van magazijn en kantoor van een rondboogpaneel zijn voorzien. Uiteindelijk blijkt dus een vorm van een compromis tussen parabool- en vierkante panelen te zijn uitgevoerd.

 

Waarschijnlijk is het plan uitgevoerd door Th. Dekker, aannemer en machinale houtbewerker, toen gevestigd Nieuwendam 27. Op 15- 6-1928 vraagt Th. Dekker nog vergunning voor liet maken van een 'stoeping'. De gemeentelijke vergunning hiervoor van 18-6- 1928 spreekt echter over een stoep'.

 

Exterieur winkel Hoorn

Omwille van de herkenbaarheid moeten vormgeving, decoratie, gebruik van materialen en zelfs de schaal zich onderscheiden van de omgeving. Daarbij tracht De Gruyter zijn winkels steeds als hoekpand te bouwen.

Deze uitgangspunten ziet men verwezenlijkt in een fors, rijzig hoekpandgedeelte. De beneden verdieping, de winkel zelf, heeft een grote, hoge pui met dito etalagevensters, die halverwege de verdieping van het belendende perceel reikt. De verdieping erboven, kantoor en magazijn rijst met zijn platte dak zelfs boven het pand met zadeldak ernaast uit. Hoewel de bovenlaag van de verdieping wat hoofdvorm betreft gelijk is aan die van de benedenverdieping vormen zowel schaal als de gebruikte bouw- en dekoratiematerialen een grote tegenstelling. Ook dit doet het gebouw opvallen. De garage- en magazijnvleugel aan het Nieuwe Noord toont, uiterlijk gezien, het karakter van slechts een aanbouw. De afwijking in schaal, afmetingen, verdiepingshoogte en decoratieve afwerking ten opzichte van de winkelpui zelf, geeft aan dat dit gedeelte geen winkelfunctie heeft. Het metselwerk aan de straatzijde bestaat uit machinaal vervaardigde steen in waalformaat volgens Vlaams verband gemetseld met snijwerkvoeg, behoudens enkele accenten. Het overige is gemetseld in kruisverband met een platvolle voeg.

Het totale ontwerp van het bouwwerk kan aangemerkt worden als een variant van de Amsterdamse Schoolversie van het Expressionisme.

De onderpui vormt een hoek bestaande uit twee nagenoeg haaks op elkaar staande delen, waarvan de hoek, voor een De Gruyterpand gewoontegetrouw, is afgeschuind. De toegangsdeur is verdiept tot in de winkel aangebracht. De huidige deur is van de verbouwing van 1972. Alle muurdelen hebben een tegelbekleding. Ook de borstwering en de voetstukken van de pilasterachtige muurdammen van de bovenverdieping. De tegelbekleding toont een iets gewatteerde blauwgroene kleur, zeer kenmerkend voor de De Gruyterwinkels. De tegels zijn vervaardigd bij De Porceleyne Flesch' te Delft. Behalve rechthoekige tegels zijn er ook zeskantige (honingraat) in de verdiepingsborstwering verwerkt. Daarin is ook in de typerende goudkleurige letters de bedrijfsnaam aangebracht. Deze luxe aandoende kleur vindt men trouwens in meer ornamenten verwerkt, bij voorbeeld op de lijsten van de borstwering en in de verticale sierlijst van de muurdammen. De top van de muurdammen vormt in dezelfde kleur een kapiteelachtige floraal ornament in de vorm van een rechtopstaande maïskolf. Het venster aan de Nieuwe Noordzijde vormt een tweedelig gekoppeld venster.

De bovenpui bestaat uit drie muurvlakken met samen 7 spaarvelden. Deze spaarvelden worden nagenoeg geheel door de vensters ingenomen. De vorm van en de verhouding tussen de muurvlakken en vensters doen het metselwerk visueel op pilasters lijken en de spaarvelden op alleen smalle hoge vensters. Kenmerkend voor de Amsterdamse School is hier de ladderroede verdeling. De ramen zijn echter wel voorzien van een verticale doorgaande middenroede. De ruiten bestaan uit glas-in-loodfiguraties uitgevoerd in de volle donkere tinten van de vroege Amsterdamse Schoolperiode. De vensters worden overkraagd door een band van gewassen grindbeton. Het middenvlak, de hoek, is iets naar vorenkomend (risalise rend) en naar boven toe iets uitrijzend boven de geveldelen van Nieuwe Noord en Nieuwsteeg. Ook de bovengevelafsluiting, bestaande uit metselwerk van verticaal gestelde stenen, als mede de twee overhoekse muurdammen, die nog voorzien zijn van de niet overmetselde hoekpunten van de stenen op de kniklijst, accentueren het hoekvlak.

Exterieur kantoor/magazijn

De horizontale geleding van twee verdiepingen wordt aangeduid door een eenvoudige overkragende en geprofileerde houten lijst aansluitend op de bovendorpel van de benedenvensters en deuren. Het geheel ligt iets terug ten opzichte van de winkelvleugel. De rechterdeur is zoals boven beschreven voorzien van een rondboogpaneel. Voor de verbouwing was dit de deur die toegang gaf tot het vroegere kantoor. Verder toont de deur onder het paneel een sierlijst met zigzagmotief en een rondboogvenstertje met aan de buitenzijde een gesmeed roostertje in ruitmotief. De linkerdeur is een dubbele vouwdeur met eveneens in elk deurdeel een rondboogpaneel en een zigzagsierlijstje. Deze deur heeft als garage/magazijndeur gefungeerd.

Tussen de deuren zijn drie vensters geplaatst met op 2/3 van de hoogte ervan een tussendorpel. Het zijn dezelfde vensters als in de bovenverdieping. Dat betekent, dat de huidige, moderner aandoende vensterkozijnen waarschijnlijk niet oorspronkelijk zijn. Recht boven de vensteropstelling van de benedenverdieping bevindt zich in de bovenverdieping een zelfde vensteropstelling. Zij omvatten glas- in- lood 12- ruitsramen. Ook aansluitend boven deze vensteropstelling de bevindt zich een uitkragende band, nu echter van afwijkend metselverband. Daar boven als gevelafsluiting een rollaag van staand metselwerk. Boven de garage uit en tegen de zijgevel van het winkelgedeelte bevindt zich nog een trappenhuis als verbinding naar de magazijnverdieping van het winkelgedeelte.

 

Interieur winkel Hoorn

De verbouwing voor gebruikmaking voor Vroom & Dreesmann heeft geleid tot het volledig slopen van het oorspronkelijke interieur van de begane grond van winkel en garage/magazijn. Slechts de blauw geverfde steektrap van het genoemde trappenhuis kreeg een nieuwe plaats meteen achter de dubbele deur. De verbinding tussen het magazijn en het hoger gelegen magazijn boven het vroegere winkelgedeelte is een vormgelijke eveneens blauwgeverfde trap. Raadplegingen bij verscheidene archiefinstellingen leverden helaas geen beeldmateriaal op dat inzicht kon bieden in de inrichting van de winkel. De plattegrond van de winkel, aangegeven op de bestektekening, geeft slechts een indruk van de ruimtelijke indeling.

Een toonbank in L-vorm, daarachter de stellingen en schappen met daartussen de z.g. koffiesilo's. Aan de vensterzijde de uitstalkasten. Voor zover nog enige oud-medewerkers uit hun herinnering kunnen putten, heeft de winkel behoord tot de categorie van de gewonere, minder luxueuze vestigingen 'in de provincie'. Maar desalniettemin stonden dus ook in het Hoornse filiaal de wekelijks gepoetste geelkoperen silo's, de theebussen en de grote koffiemolens, beide roodgelakt en een geheel marmeren toonbank met de rode weegschalen. Of er ook het nikkelen Amerikaanse 'kasregister' (kassa) op de toonbank stond te glimmen, konden oud-personeels leden zich niet meer herinneren.

Kennelijk was er wat betreft de Hoornse winkel dus niet echt sprake van de luxe en kwaliteit, gericht op de elite en welvarendere middenklasse. Daardoor waren er waarschijnlijk geen fraaie en grote lambriseringen, geen spiegelwanden of tegelwanden met sierlijsten of dekoraties aangebracht. En helemaal geen tegeltableaus met uitbeeldingen van jaargetijden of onderdelen van het boerenbedrijf, zoals het zaaien, oogsten, ploegen, of met uitheemse voorstellingen die betrekking hadden op van oorsprong tropische producten, zoals koffie, thee, cacao en specerijen. Zij waren bijna allemaal producten van de tegelbakkerijen 'De Koninklijke Plateelbakkerij' of van 'De Porceleyne Flesch', beide te Delft.

De vloeren van de echte luxe winkels van de 1e categorie in grote steden waren ook wel met dure marmeren of met luxe figuratieve tegelvloeren belegd. Daarbij konden plafonds van figuratief stucwerk voorzien zijn, waaraan koperen of van veel glas voorziene kroonluchters waren opgehangen. Niettegenstaande we te maken hebben gehad met een eenvoudigere De Gruyterwinkel, zal de omzet niet gering zijn geweest. De heer Ben Noordeloos, laatste fihiaalchef tot 1971, kan zich een topbezetting herinneren van zeven winkelmeisjes, drie bezorgers en een magazijnknecht.

Eind jaren zestig van de vorige eeuw dringt tot hem door, dat de bedrijfssituatie van het levensmiddelenbedrijf zeer penibel is geworden. "De top was te zwaar, teveel doctorandi en teveel familieleden, die een te hoge positie in het bedrijf opeisten. Zij wisten het beter dan de werkers in 't veld. Chauffeurs die kwamen bevoorraden hadden ook vracht voor Purmerend en Leeuwarden. Maar er was tegelijkertijd op de laad- en verzendplaats in 's-Hertogenbosch ook vracht voor Edam. Waarom moest dat niet mee op de route Noord-Holland/Leeuwarden? Maar dat werd afgedaan met de opmerking: 'niet mee bemoeien'!
Op den duur voelde je je als een snotneus behandeld," aldus Ben Noordeloos.

In 1971 verlaat hij het bedrijf en komt hij als receptionist in dienst bij het St. Jansgasthuis. In het jaar daarna valt definitief het doek van de 'successtory zonder happy end' van de Koninklijke P. de Gruyter. Het Hoornse De Gruyterpand wordt in 1972 overgenomen door Vroom & Dreesmann.

 

 

Auteur: Henk Overbeek
Foto's Hoornse "de Gruyter" pand: Henk Overbeek.
Bron en overig beeldmateriaal: De Gruyter - Geschiedenis van het kruideniersimperium, Waanders Zwolle.
Eerder geplaatst in Oud Hoorn kwartaalblad 2005/2