Een eeuw lang actief voor Hoorns erfgoed
Hoorns Biografisch Woordenboek (HBW)

Jan Martsz. (1544-1573)

Personalia

Alias: Jan Joost Taemsz.
Bijnaam: Potboeve.
Geboren: in 1544 in Hoorn.
Begraven: 24 december 1573 in Hoorn.
Zoon van Joost Jan Taemsz. (alias Joost Jan Martsz.) en Imme Merens.
Getrouwd: voorjaar 1562 met Maria Verduyn, geboren 2 februari 1539, overleden op 26 december 1605 te Hoorn. Vier kinderen, van wie twee jong gestorven. Het vierde kind is Jan Martsz. Merens.

Functies:
- Ontvanger van de gemene-landsimposten in Hoorn, 1572-1573.
- Kapitein der schutterij in Hoorn, 1572-1573.

Levensloop

Jan Martsz. was een nakomertje uit het tweede huwelijk van zijn vader. Eigenlijk had hij Jan Joost Taemsz. moeten heten, maar net als zijn vader werd hij Martsz. genoemd naar zijn grootvader van moederszijde. Dit mede om hem te onderscheiden van een van zijn halfbroers, die ook Jan heette. Toen hij elf jaar oud was, stierf zijn moeder en vier jaar later zijn vader. Op achttienjarige leeftijd trouwde hij met de drieëntwintigjarige Maria Verduyn. Alle rampen die hem in zijn leven overkwamen, werden door zijn tijdgenoten toegeschreven aan het feit dat hij als kind een ooievaar doodgeschoten had. Volgens het bijgeloof van die dagen bracht dat ongeluk.

Godsdienstige opvattingen

De Lutherse opvattingen waren hem met de paplepel ingegoten. Het hoeft dan ook geen verbazing te wekken dat hij de heimelijke bijeenkomsten van de protestanten bijwoonde. Op 14 juli 1566 gebeurde dat voor het eerst in het openbaar: Jan Arentsz. hield de eerste hagenpreek in de buurt van Hoorn, nabij het klooster Nieuwlicht. Enige dagen later ging Clement Maertensz., de pastoor van de Oosterkerk, over tot de nieuwe leer. Hij preekte vanaf september van dat jaar op een veld bij het Keern, doopte er kinderen en sloot er huwelijken. Onder de toehoorders bevond zich ook Jan Martsz. Een tijd lang werd dit door de Hoornse magistraten gedoogd. De situatie veranderde, toen de hertog van Alva door koning Philips II naar de Nederlanden werd gezonden. In 1568 stuurde Alva commissarissen naar de steden om ketters te arresteren. Jan Martsz. stond op de lijst van verdachten. Met opzet werd de nacht van Vastenavond uitgekozen om de arrestaties re verrichten. Na de feestelijkheden van die avond zou men minder op zijn hoede zijn, was de gedachte. De verdachten waren echter gewaarschuwd en hadden de stad verlaten. Jan Martsz. keerde al na een week terug in de stad, maar moest enige tijd later toch weer vluchten. Zijn vrouw, zwanger van een derde kind, bleef met twee kleine kinderen in Hoorn achter.

Na een onderzoek velde de door Alva opgerichte Raad van Beroerten op 6 oktober 1568 een vonnis over vijftien personen, die uit Hoorn gevlucht waren. Ze werden voor eeuwig uit de landen en heerlijkheden van de koning van Spanje verbannen op straffe van de galg, en hun roerende en onroerende goederen werden verbeurd verklaard. In de in het Frans gestelde akte wordt Jan Martsz. 'Jehan Maertensz alias potboeve' genoemd. Blijkbaar was hij onder deze bijnaam, die schelm betekent, in de stad bekend. Deze zal hem door zijn vijanden gegeven zijn, maar zegt misschien ook iets over zijn karakter. Jan Martsz. bleef twee jaar weg. Vanuit Londen ging hij naar Wezel in Duitsland en vandaar naar Italië. In 1570 keerde hij terug naar Hoorn en hield zich daar verborgen.

Na de omwenteling in Hoorn

Nadat op 18 juni 1572 Hoorn de zijde van Willem van Oranje in de strijd tegen het bewind van Alva gekozen had, veranderde de situatie van Jan Martsz. volledig. Hij kon zich openlijk vertonen en ambten uitoefenen. Al spoedig werd hij tot kapitein van de schutterij en ontvanger van de gemene-landsimposten benoemd. Toen Willem van Oranje in september 1572 Hoorn bezocht, liet hij Jan Martsz. bij zich komen en prees hem vanwege zijn standvastigheid. Als antwoord hierop verscheurde Jan een schuldbekentenis van Willem van Oranje, die hij in zijn bezit had.

In dezelfde maand kwam Diederik van Sonoy, gouverneur van de prins in het Noorderkwartier, naar Hoorn. Hij eiste dat de sleutels van de stad 's avonds aan hem overhandigd werden en niet, zoals gebruikelijk was, aan een van de burgemeesters. Jan Martsz. was hierover verontwaardigd en ging in zijn functie van kapitein van de schutterij met een aantal collega's naar Sonoy. Een grote groep burgers volgde hen. Het kwam tot een heftige woordenwisseling. Uiteindelijk namen de burgers het heft in eigen handen. Ze lieten de poorten sluiten en overhandigden de sleutels aan de schutters die 's nachts op het stadhuis de wacht hielden. Vanaf die dag was deze procedure de gewoonte.

Fries Bossuhuizen Hoorn
Fries met afbeelding van de Slag van Bossu aan de Slapershaven (linkerdeel)
Fries Bossuhuizen Hoorn
Fries met afbeelding van de Slag van Bossu aan de Slapershaven (rechterdeel)

In het najaar van 1572 vocht Jan Martsz. mee in de slag op de Zuiderzee tegen de Spaanse vloot, die onder leiding stond van Maximilian de Henin, de graaf van Bossu. Op 11 oktober behaalden de prinsgezinden de overwinning. Bossu werd als gevangene naar Hoorn gevoerd en in het voormalige Mariaklooster gevangengezet. Als kapitein van de schutterij was Jan Martsz. een van degenen die de graaf moesten bewaken. De manschappen van Bossu hadden het slechter getroffen. Zij zaten gevangen in de Oosterpoort, onderin het stadhuis en in het gasthuis. In het stadhuis brak onder hen een besmettelijke ziekte uit, de soldatenziekte genoemd. Velen stierven eraan. In december 1573 werden ook de bewakers besmet, onder wie Jan Martsz. Hij stierf eind december, nog geen dertig jaar oud.

Enige weken na zijn overlijden bracht zijn vrouw een kind ter wereld. Ze gaf het de voornaam en het patroniem van zijn vader: Jan Martsz. Deze zoon nam later de achternaam van zijn grootmoeder van vaderszijde, Merens, aan. Vader Jan Martsz. is dus een directe voorvader van het Hoornse regentengeslacht Merens.

De schrijver A. Merens van het hieronder vermelde boek wijst erop dat in diverse artikelen en boeken foutieve gegevens over Jan Martsz. staan. Men verwart maar liefst drie personen met elkaar. Hij doelt hiermee o.a. op Abbing.

 

Voor familierelaties: zie familie Merens.

Bronnen
Hoofdbron
- Merens, Allard, 1957, De Geschiedenis van een Westfriese regentenfamilie. Het geslacht Merens , Martinus Nijhoff, 's- Gravenhage, hoofdstuk II, pp. 28-54.

Verdere bronnen
- Abbing, C.A.,1841, Geschiedenis der stad Hoorn , Gebr. Vermande, Hoorn.
- Velius, Th., Kroniek van Hoorn , 2007, hertaling derde druk uit 1648, publicatiestichting Bas Baltus, Hoorn.

Illustraties
- Bureau Erfgoed Hoorn.

Tekst samengesteld door Trudi Schrickx-Guinée, afgesloten 30-1-2015.