Actie 2017   Een eeuw lang actief voor Hoorns erfgoed
Hoorns Biografisch Woordenboek (HBW)

Johan Christiaan Kerkmeijer (1875-1956)

Personalia

Portret van Johan Christiaan Kerkmeijer (1875-1956)
Portret van Johan Christiaan Kerkmeijer

Geboren: 9 december 1875 in Middelburg.
Overleden: 9 maart 1956 in Hoorn.

Zoon van: Jan Kerkmeijer en Harmina Christina van den Brink.

Getrouwd (1): 6 april 1904 in Hoorn met Johanna Bakker, geboren 6 januari 1881 in Meppel. Geen kinderen. Scheiding in 1925.

Getrouwd (2): 25 augustus 1927 in Rotterdam met Christina de Regt, geboren op 20 mei 1894 in Rotterdam, overleden in november 1946 in Amsterdam. Geen kinderen.

Opleiding:
- HBS in Middelburg, eindexamen 1892.
- Rijksnormaalschool voor Tekenonderwijzers in Amsterdam, 1892-1896.
- Rijksschool voor Kunstnijverheid in Amsterdam, 1897.
- Rijksacademie in Amsterdam, correspondentieleerling van Carel Dake,, 1911-1915.

Beroep:
- Tekenleraar Avondtekenschool in Amstelveen, winter 1896-1897.
- Bouwkundig tekenaar op architectenbureau in Middelburg, 1897.
- Tekenleraar aan de hbs in Hoorn, 1897-1940.
- Tekenleraar aan de Burgeravondschool in Hoorn, 1897-1921, tevens aan de Stadstekenschool tot opheffing in 1899.

Functies:
- Lid van de Commissie van Toezicht van het Westfries Museum, vanaf 1898.
- Lid van de Huishoudelijke Commissie van het Westfries Museum, 1908-1921, secretaris 1921-1952 (vanaf 1931 conservator genoemd).
- Lid en tekenleraar van het tekengenootschap Debutade, vanaf 1898, (enige tijd ook directeur).
- Lid van Arti et Amicitiae (vereniging van beeldende kunstenaars en kunstliefhebbers), vanaf 1900.
- Medeoprichter en bestuurslid van de Maatschappij van Nijverheid, departement Hoorn, vanaf 1908.
- Medeoprichter en voorzitter van de Vereniging tot Veredeling van het Ambacht,1908-1910, secretaris van de Vereniging Ambachtsschool voor Hoorn en Omstreken, 1910-1940.
- Correspondent van de Bond Heemschut, vanaf 1913; bestuurslid, 1937-1946 en vanaf 1950. Medeoprichter en voorzitter van de Vereniging Oud Hoorn, 1917-1931, 1935-1956; bestuurslid 1932-1935.
- Voorzitter Bouwplancommissie van de gemeente Hoorn, 1918-1927, 1929-1951.
- Medeoprichter en voorzitter van de Concertvereniging Johan Messchaert,1919-1946.
- Bestuurslid van het Historisch Genootschap Oud West-Friesland, 1924 -1954.
- Voorzitter van de Commissie voor Landelijk Schoon van het Historisch Genootschap Oud West-Friesland (eerste jaar Commissie voor oude gebouwen genoemd), 1925-1954.
- Secretaris van de Vereniging 'Het Carillon te Hoorn', 1926-1947; voorzitter, 1947-1956.
- Voorzitter Monumentencommissie van de gemeente Hoorn, namens de Vereniging Oud Hoorn, vanaf 1928.
- Berichtgever van het Rijksmuseum voor Oudheden in Leiden bij de Zuiderzeewerken, vanaf 1928.
- Lid restauratiecommissie van de Noorderkerk, 1929-1938.
- Bestuurslid - namens de Vereniging Oud Hoorn - van de Vereniging Hendrick de Keyser, vanaf 1937 (met korte onderbreking rond 1947)
- Lid van het Schildersgenootschap St. Lucas, vanaf 1947.

Noorderstraat 18 A
Hoorn, Noorderstraat 18 A

Adres in Amsterdam:
- Jan Steenstraat 92, 1892-1896.

Adressen in Hoorn:
- Kleine Noord 59 (op kamers,)
- Grote Noord 79,
- Oude Doelenkade 33 (of 35),
- Noorderstraat 18A, 1905-1956.

Noorderstraat 18 A
Herdenkingssteen Noorderstraat 18 A

Onderscheidingen:
- Ridder in de Orde van Oranje Nassau, 1937.
- Ereburger van Hoorn, 1937.
- Erelid van de Vereniging Ambachtsschool voor Hoorn en Omstreken, 1940.
- Erelid van de Concertvereniging Johan Messchaert, 1947.
- Erelid van de Vereniging Oud Hoorn, postuum 2012.

 

Levensloop

Tekenleraar

Johan Christiaan Kerkmeijer werd op 9 december 1875 in Middelburg geboren en groeide daar op. Reeds vroeg bleek dat hij aanleg voor tekenen had. Als tienjarige volgde hij al tekenlessen aan de hbs in zijn woonplaats. Met het hbs-diploma op zak ging hij in 1892 naar de Rijksnormaalschool voor Tekenonderwijzers in Amsterdam. Hij behaalde er in 1896 de middelbare akte Handtekenen en Perspectief en de akte Rechtlijnig Tekenen en Perspectief. Aansluitend was hij in de winter werkzaam als tekenleraar aan de Avondtekenschool in Amstelveen. Overdag volgde hij lessen in boetseren aan de Rijksschool voor Kunstnijverheid in Amsterdam. In de zomer 1897 werkte hij een aantal maanden als bouwkundig tekenaar en opzichter bij een architect in Middelburg. In die hoedanigheid was hij betrokken bij de restauratie van de abdijgebouwen aldaar, een werkervaring die hem in zijn latere leven goed van pas zou komen. Aan het einde van dat jaar solliciteerde hij met succes naar de gecombineerde baan van tekenleraar aan de hbs, de burgeravondschool en de stadstekenschool in Hoorn. Tot aan zijn pensionering in 1940 bleef hij als tekenleraar aan de hbs verbonden. In 1899 werden na een reorganisatie de burgeravondschool en de stadstekenschool - beide avondopleidingen voor ambachtslieden - samengevoegd. Kerkmeijer had een grote voorliefde voor het oude gedegen vakmanschap en was een warm voorstander van een dagopleiding voor ambachtslieden. Met medestanders richtte hij daarom in 1908 een departement van de Maatschappij van Nijverheid op die enige maanden later de Vereniging tot Veredeling van het Ambacht in het leven riep. Kerkmeijer werd hiervan voorzitter. Twee jaar later beperkte deze vereniging haar doelstelling tot het oprichten van een ambachtsschool. Naam en statuten werden aangepast. Kerkmeijer werd secretaris van deze Vereniging Ambachtsschool voor Hoorn en Omstreken. Toen in 1912 de Ambachtsschool aan het Keern gerealiseerd was, werd de burgeravondschool opgeheven en vervielen zijn lessen aan ambachtslieden. Als lid van het bestuur bleef hij tot 1940 bij de Ambachtsschool betrokken. Tekenlessen gaf in zijn vrije tijd ook aan het Tekengenootschap Debutade waarvan hij kort na zijn vestiging in Hoorn lid geworden was. Via Debutade behield hij een goede band met een van zijn leerlingen, de kunstenaar Dick Ket.

Schilderij Rietschoof Johan_ Christiaan Kerkmeijer
Korenschoof schilderij van Johan Christiaan Kerkmeijer, 1910 - 1930

Privéleven

De hbs heeft in zijn privéleven een grote rol gespeeld: hij leerde er zijn twee echtgenotes kennen Zijn eerste vrouw, Johanna Bakker, had twee jaar als leerlinge les van hem gehad. In 1904 trouwden ze. Johanna was dichteres en schrijfster van kinderboeken. Na haar huwelijk nam ze zanglessen en trad ze als zangeres op. Johan bekwaamde zich in die tijd verder in de schilderkunst. Vanaf 1911 was hij enige jaren 'correspondentieleerling' van Carel Dake, hoogleraar aan de Rijksacademie in Amsterdam. Dat hield in dat hij zijn werk opstuurde en het voorzien van commentaar terugkreeg. Vanaf 1915 zond hij werken in naar tentoonstellingen. Doordat de kosten voor de artistieke opleiding van hen beiden in de financieel moeilijke jaren 1914-1918 niet op te brengen waren, liep hun huwelijk op de klippen. In 1918 vertrok ze naar Amsterdam en in 1925 werd de scheiding uitgesproken. Twee jaar later hertrouwde hij met een collega Engels, Christina de Regt. Zij hielp hem bij de vele taken die hij als vrijwilliger op zich nam. In 1946 overleed zij na een ernstige ziekte in een ziekenhuis in Amsterdam.

Westfries Museum

Behalve voor teken- en schilderkunst had Kerkmeier een grote belangstelling voor oude monumenten en kunstvoorwerpen, met name die van zijn woonplaats Hoorn en omgeving. Zijn vrije tijd werd in de loop der jaren volledig gevuld met allerlei bestuurstaken in verenigingen en commissies op dit gebied. Voordeel was dat zo door hem de verenigingen nauw met elkaar verbonden waren, wat de samenwerking vergemakkelijkte. Het begon met het Westfries Museum. Al in het eerste jaar dat hij als leraar met een tijdelijke aanstelling in Hoorn woonde, maakte hij voor het museum tekeningen van daar tentoongestelde voorwerpen. Binnen de kortste keren zat hij in de Commissie van Toezicht. In het museum was de Huishoudelijke Commissie druk bezig met het inrichten van de kamers. Men kon de hulp van Kerkmeijer met zijn tekentalent goed gebruiken. De museumkamer die de taveerne genoemd wordt, is grotendeels een ontwerp van hem. Al spoedig werd hij als een toegevoegd lid van de commissie beschouwd. Vanaf 1908 maakte hij er officieel als derde lid deel van uit, vanaf 1923 als secretaris. In de jaren 1908-1911 is het museumgebouw ingrijpend gerestaureerd en de schutterijzaal in zeventiende-eeuwse stijl gereconstrueerd. Kerkmeijer was hierbij nauw betrokken. Samen met zijn vrouw Christien beschreef hij de museumcollectie in catalogi. In feite deed Kerkmeijer als secretaris het werk van een conservator en vanaf 1931 werd hij ook zo genoemd. In 1939 trof de commissie volgens de richtlijnen van de regering maatregelen om de museumcollectie te redden, indien er oorlog zou uitbreken. Hij kreeg er zelfs buitengewoon verlof van de hbs voor. Bij de inval van de Duitsers op 5 mei 1940 was men met twaalf personen de hele dag bezig de voorwerpen volgens het draaiboek in te pakken en in de kelders te verbergen. Enige maanden later stelde Kerkmeijer het museum beperkt weer open. Hij kwam er niet onder uit, af en toe Duitse officieren in het museum rond te leiden. In 1941 kreeg Kerkmeijer de hoogst onaangename taak toebedeeld om als museumdeskundige de door de Duitse bezetting verordende inzameling van metalen, vooral koper, in West-Friesland te begeleiden. Hij probeerde te redden wat er te redden viel. De museumcollectie doorstond ongeschonden de oorlog. Na zijn pensionering als conservator in 1952 bleef Kerkmeijer nog enige jaren als adviseur bij het museum betrokken.

Vereniging Oud Hoorn

De Commissie van Toezicht van het museum hield zich in de begintijd ook bezig met de monumenten in de stad. Het liefst zag men dat een gebouw gerestaureerd werd. Kwam het toch tot sloop dan zorgde men ervoor dat karakteristieke onderdelen in het museum terechtkwamen. Toen er in 1916 financiële problemen ontstonden bij de restauratie van het pand 'de Frahchtwagen' (West 50), stelde Kerkmeijer voor, een aparte vereniging op te richten. Die kon dan subsidies en donaties verwerven en daarmee restauraties ondersteunen. Nadat op een vergadering, uitgeschreven door de Commissie van Toezicht en het Tekengenootschap Debutade, bleek dat er genoeg draagvlak voor zo'n vereniging was, werd op 6 juni 1917 de Vereniging Oud Hoorn opgericht. Kerkmeijer werd voorzitter en tot zijn dood in 1956 was hij, op enige jaren na, het gezicht van Oud Hoorn. Onder zijn leiding was de vereniging betrokken bij veel restauraties en liet bij monde van de voorzitter haar stem horen, als het stadsschoon dreigde te worden aangetast. Al spoedig was hij een goede bekende op het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen in Den Haag, waar hij restauratieplannen toelichtte en subsidies probeerde binnen te slepen. Oud Hoorn kocht in 1919 de panden Bierkade 10 en Onder de Boompjes 8 aan om deze eenvoudige 17e -eeuwse pandjes voor sloop te behoeden. Vanaf 1918 waren bestuurders van Oud Hoorn betrokken bij de voorbereiding van de restauratie van de Noorderkerk en vanaf 1928 was Kerkmeijer namens Oud Hoorn lid van de restauratiecommissie van deze kerk. Contacten met Monumentenzorg liepen via hem. Pas in 1938 kon dit project afgesloten worden. Mislukt is de vanaf 1918 ondernomen poging de panden Nieuwendam 19 en 20 te redden. In de oorlog zijn beide pakhuizen afgebroken met het doel ze later weer op te bouwen. Anno 2017 gaapt er nog steeds een gat.

Een onverkwikkelijke kwestie was de restauratie van de Mariatoren, die Oud Hoorn van de gemeente gratis als vergaderruimte mocht gebruiken, onder de voorwaarde dat ze die zou restaureren. Ruzie in het bestuur over de restauratieplannen leidde ertoe dat bestuurslid Jacob Faber, die van beroep gemeentearchitect was, uit het bestuur stapte onder meename van de door hem gemaakte plannen. In 1931 was voor Kerkmeijer de maat vol toen er onenigheid over het al dan niet aanschaffen van een gaskachel voor de toren ontstond. Ook hij gooide het bijltje erbij neer. Omdat hij onmisbaar was, haalde de burgemeester hem na enkele maanden over als bestuurslid terug te keren en vanaf 1935 hanteerde hij weer de voorzittershamer.

Zusterorganisaties

Al vanaf 1913, dus nog voor de oprichting van Oud Hoorn, was Kerkmeijer correspondent van de Bond Heemschut, hij seinde die bond in als het stadsschoon in Hoorn dreigde te worden aangetast. In dat jaar sloeg hij alarm toen er plannen bestonden om het Munnickenveld en het Nieuwland vanwege stankoverlast te dempen en een jaar later toen de Gemeente het Houten Hoofd door een betonnen constructie wilde vervangen.

In 1924 was Kerkmeijer betrokken bij de oprichting van het Historisch Genootschap Oud West-Friesland. Hij werd bestuurslid van het genootschap en voorzitter van de Commissie tot Bevordering van het Landelijk Schoon. In de laatstgenoemde hoedanigheid hield hij zich bezig met de reddingsplannen voor boerderij De Barmhartige Samaritaan in Blokker, een project dat Oud Hoorn al vanaf 1917 op de agenda had staan en vanaf 1924 zijdelings volgde. Door tegenwerking van de eigenaar en de oorlogsjaren kon dit boek pas in 1947 gesloten worden.

Omdat de Vereniging Oud Hoorn niet genoeg geld had om regelmatig panden te kopen om ze voor sloop te behoeden en te restaureren, schakelde ze zo nodig de Vereniging Hendrick de Keyser in, bijvoorbeeld voor de aankoop van Munnickenveld 2. Oud Hoorn verleende dan subsidie bij de restauratie. In 1937 werd Kerkmeijer namens Oud Hoorn tot bestuurslid van Hendrick de Keyser benoemd. Rond 1947 trok hij zich een tijd uit dit bestuur terug, vermoedelijk omdat er niet geluisterd was naar zijn kritiek bij de restauratie van het pand Munnickenveld 2, dat in 1945 verbrand was.

Bouwplancommissie

In 1917, toevallig op de dag nadat de Vereniging Oud Hoorn was opgericht, besloot de gemeenteraad van Hoorn een welstandscommissie in te stellen. Deze startte in 1918 met haar werkzaamheden en kreeg de naam Bouwplancommissie. Kerkmeijer, die er namens de Commissie van Toezicht van het Westfries Museum in benoemd werd, nam de taak van voorzitter op zich. Oud Hoorn was in de beginjaren goed vertegenwoordigd: van de vijf Hoornse leden van de commissie waren er vier ook lid van Oud Hoorn. De commissie beoordeelde bouwaanvragen alvorens B & W een bouwvergunning verleende. Uit de algemene voorwaarden voor bouwaanvragen blijkt dat dat commissie een tegenstander van het destijds modieuze pleisteren van gevels en het aanbrengen van glas-in-lood in de bovenlichten van ramen was. Rode-pannendaken genoten de voorkeur. Plannen voor erkers moesten vaak worden aangepast voor ze de toets der kritiek konden doorstaan. Grote bezwaren had men in 1935 tegen het ontwerp voor een vestiging van het warenhuis Vroom en Dreesmann aan het Grote Noord in dertiger-jaren-stijl, waarbij de nadruk werd gelegd op de horizontale lijnen en het dak plat was. De ontwikkeling was echter niet tegen te houden: een tweede plan werd na enige aanpassingen geaccepteerd en ook de firma Tromm kreeg een bouwvergunning voor een groot winkelpand met bovenwoningen aan de Gouw 9-15. De commissie was verder betrokken bij plannen voor stadsuitbreiding en de infrastructuur. In 1919 adviseerde de Bouwplancommissie het elektriciteitsnet ondergronds aan te leggen, om het stadsbeeld niet door bovengrondse leidingen te ontsieren. Dit advies werd opgevolgd. Bouwplancommissie en Oud Hoorn konden in 1931 het afgraven van de Hoge Wal ten behoeve van een parkeerplaats voor vrachtwagens aan de Vale Hen niet tegenhouden, maar wel in 1935 de demping van de gracht van het Nieuwland.

Haast de gehele tijd dat de Bouwplancommissie bestaan heeft, is Kerkmeijer de voorzitter geweest. Een korte onderbreking vormt de periode 1927-1929. Hij stapte toen uit de commissie, waarschijnlijk omdat hij niet meer met gemeentearchitect Faber wilde samenwerken. Zoals boven vermeld, had laatstgenoemde kort daarvoor zijn bestuursfunctie bij Oud Hoorn vanwege ruzie over de restauratie van de Mariatoren neergelegd. Begin 1929 legden beide heren na bemiddeling het geschil bij. In 1950 stelde Kerkmeijer zelf voor om de commissie te laten opgaan in de regionale Adviescommissie voor Bouwontwerpen in Westfriesland. Drie jaar later werd deze stap gezet. In 1951 had Kerkmeijer de voorzittershamer al aan een ander overgedragen.

Zuiderzee wordt IJsselmeer

Een goed voorbeeld hoe Kerkmeijer vanuit diverse verenigingen en commissies voor behoud van het erfgoed streed, betreft het havengebied. De bouw van de Afsluitdijk in 1932 waardoor de Zuiderzee IJsselmeer werd, bracht een grote verandering voor de visserij in de havensteden rond die zee te weeg. Al voor 1932 borrelden er daarom hier en daar plannen op om in een havenstad aan het IJsselmeer een Zuiderzeemuseum op te richten. Kerkmeijer was van meet af aan een groot voorstander van de vestiging van zo'n museum in Hoorn. Hij wist Oud Hoorn, de plaatselijke VVV, waar hij nauwe banden mee onderhield, en de landelijke Watersport Vereeniging voor zijn karretje te spannen. Gezamenlijk pleitten ze in 1944 in een brief tot de Rijkscommissie van Advies inzake Musea voor zo'n museum in Hoorn. De verenigingen noemden twee geschikte locaties: het Karperkuilgebied en de Grashaven. Verder wezen ze op de fraaie ligging van Hoorn aan het Hoornse Hop en pleitten ze voor het behoud van het open waterfront. Dat zou namelijk verloren gaan, als de plannen voor de Zuid-West-Polder (later Markerwaard genoemd), doorgezet zouden worden. Deze zou via een weg over het Visserseiland met het vasteland verbonden worden en de Grashaven zou worden drooggelegd en omgevormd tot een bedrijventerrein. In het verzet daartegen werd Oud Hoorn gesteund door het Genootschap Oud Westfriesland, waarvan Kerkmeijer bestuurslid was, en de daarvan deel uitmakende Commissie Landelijk Schoon, waar hij voorzitter van was. Ook de Bouwplancommissie met voorzitter Kerkmeijer was tegenstander. Landelijke organisaties sloten zich aan. Doordat de regering besloot, eerst de Zuid-Oostpolder (Flevoland) aan te leggen, verdween het plan Markerwaard voorlopig in de ijskast en bleef het open havenfront behouden. De museumplannen liepen op niets uit. Er kwam één Zuiderzeemuseum, en wel in Enkhuizen. Toen de Gemeente Hoorn na de oorlog voorrang gaf aan de werdeopbouw en besloot om bij de Karperkuil een industriegebied aan te leggen, gaf Kerkmeijer het op. De Commissie Zuiderzeewerf, die Oud Hoorn in het leven had geroepen, werd in 1949 ontbonden. Kerkmeijer toonde een vooruitziende blik door in 1955 de Stichting "De Markerwaard" op te richten. Deze zou zich na inpolderingen richten op het bergen van historische scheepswrakken.

Concerten binnen en buiten

Kerkmeijer was een liefhebber van muziek. Toen in 1919 een concert werd afgelast vanwege onvoldoende belangstelling nam hij het initiatief om een concertvereniging op te richten die via contributie concerten kon organiseren. Hij kreeg van de uit Hoorn afkomstige zanger Johan Messchaert toestemming om de vereniging diens naam te geven. Kerkmeijer werd voorzitter en bleef dat vijfentwintig jaar lang.

Al sinds 1838 waren er in Hoorn geen carillonklanken meer te horen, omdat bij de brand van de middeleeuwse Grote Kerk ook het carillon verloren was gegaan. Toen in 1923 een commissie, waarvan Kerkmeijer deel uit maakte, ter gelegenheid van het vijfentwintig ambtsjubileum van koningin Wilhelmina feestelijkheden in Hoorn organiseerde, opperde een van de leden het plan om geld in te zamelen voor een nieuw carillon. Omdat het doel dat jaar niet bereikt werd, werd in 1926 de Vereniging Het Carillon te Hoorn opgericht. Kerkmeijer werd secretaris. De vereniging ondervond veel tegenslag. Toen uiteindelijk in 1935 het nodige geld bijeengesprokkeld was, bleek dat de spits van de Grote Kerk in slechte staat verkeerde. Pas in 1939, na vervanging van de spits, konden de zevenendertig klokken van het klokkenspel geplaatst worden. Vier jaar later werden zij door de Duitse bezetters geroofd. Slechts zestien klokken overleefden de oorlog. Men kon dus weer opnieuw beginnen met het inzamelen van geld. Dat verliep voorspoediger dan gedacht. In augustus 1950 kon het nieuwe carillon met een concert worden ingewijd. Kerkmeijer schonk een klokje met de naam van zijn in 1946 overleden vrouw, Christien Kerkmeijer-de Regt.

In januari 1956 kwam Kerkmeijer op de Veemarkt ongelukkig ten val en brak daarbij zijn been. Dat was het begin van zijn levenseinde. Op 9 maart overleed hij. Hij werd begraven op de begraafplaats Westerveld in Driehuis. Enige jaren ervoor had hij daar een familiegraf gekocht, waarnaar de urnen van zijn vrouw en schoonouders waren overgebracht.

Eerbetoon

Al tijdens zijn leven kreeg Kerkmeijer de eer die hem toekwam. In 1937 werd hij ter gelegenheid van het feit dat hij veertig jaar in Hoorn woonde, vanwege zijn vele verdiensten tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau benoemd. De stad verleende hem daarbij het ereburgerschap van Hoorn, dat apart voor hem in het leven was geroepen, en de burgers van Hoorn schonken een plaquette, die in het museum een plaats kreeg. De Vereniging Ambachtsschool benoemde hem bij zijn aftreden uit het bestuur in 1940 tot erelid. Hetzelfde deed de Concertvereniging Johan Messchaert in 1947. Na zijn dood is al spoedig ter nagedachtenis een gevelsteen aangebracht aan zijn huis, Noorderstraat 18A. Zelf heeft hij ervoor gezorgd dat zijn naam en die van zijn vrouw voortleven als naam van een door hem in 1950 opgerichte Kerkmeijer-de Regtstichting, die na zijn overlijden in werking trad. De stichting verleent tot op de dag van vandaag subsidies, bijvoorbeeld bij restauraties, publicaties van boeken over de lokale of regionale historie en aankopen van het Westfries Museum. In 1997 heeft na de restauratie van het Statenlogement, de plek waar in 1917 de Vereniging oud Hoorn is opgericht, de ontvangstzaal in de aangrenzende voormalige conciërgewoning de naam Kerkmeijerzaal gekregen. In 2012 verscheen een biografie over hem van de hand van Rob de Knegt. In dat jaar heeft de Vereniging Oud Hoorn haar oprichter postuum tot erelid benoemd. Dit was de opmaat tot 2017, het jubileumjaar van de vereniging, waarin ruimschoots aandacht aan de oprichter wordt geschonken. Bij de nieuwjaarsreceptie kreeg de tentoonstellingsruimte in het verenigingsgebouw eveneens de naam Kerkmeijerzaal. De kunstenaar Christiaan Heydenrijk voorzag de toegangsdeur van een glaskunstwerk met Kerkmeijers portret.

Glaskunstwerk in toegangsdeur tot Kerkmeijerzaal
Glaskunstwerk in toegangsdeur tot Kerkmeijerzaal.
Een ontwerp van de Hoornse kunstenaar Christiaan Heydenrijk.

Hoofdbron
- Knegt, Rob de, 2012, Johan Christiaan Kerkmeijer (1875-1956). Een vastberaden blik op schoonheid , Publicatiestichting Bas Baltus, Hoorn.

Verdere bronnen
- Butter, F., 1964, Na 40 jaar..., Westfrieslands Oud en Nieuw , jg. 31, p 167.
- Hoogeveen, Leo, Hoorn, 1983, Deze schitterende stad, zal weer klinken als een klok! Het carillon in de toren van de Grote Kerk 1939-1983, De Grote Kerk te Hoorn , speciale uitgave van Oud Hoorn, 1983 pp 25-37.
- Hoogeveen, Leo, 1991, 75 jaar Oud Hoorn 1917-1992 , Kwartaalblad Oud Hoorn , jg. 13, nr. 4, pp 108-109.
- Hoogeveen, Leo, 1992, Uit de voorgeschiedenis van Oud Hoorn , Kwartaalblad Oud Hoorn , jg. 14, nr. 1, pp 28-35 (foutief genummerd als 92-99)
- Hoogeveen, Leo, 1992, Geschiedenis Oud Hoorn 1 , Kwartaalblad Oud Hoorn , jg. 14, nr. 2, pp 71-75.
- Hoogeveen, Leo, 1992, Geschiedenis Oud Hoorn 2, De periode van J. C. Kerkmeijer , Kwartaalblad Oud Hoorn , jg. 14, nr. 3, pp 99-102.
- Hoogeveen, Leo, 1997, De bestuursleden van Oud Hoorn (7). Johan Christiaan Kerkmeijer, Kwartaalbad Oud Hoorn , jg. 19, nr. 3, pp 99-103.
- Kerkmeijer-de Regt, C., 1953, Hoorn in de verdrukking , Uitgeverij WestFriesland, pp 38-41.
- Kerkmeijer, J.C., 1916, ingezonden brief in Nieuwe Hoornsche Courant , 12 dec. 1916 , (Overdruk in Kwartaalblad Oud Hoorn , 1982, jg. 4,nr.1, pp 15-16).
- Mulder, T.R., 1956, In Memoriam J.C. Kerkmeijer , Jaarverslag Oud Hoorn 1956 , (Overdruk in Kwartaalblad Oud Hoorn , 1981, jg. 3, nr.1, pp 18-19).
- Onstenk, J., 1982, 1917: bewogen, maar kalm, het jaar van Kerkmeijer , Kwartaalblad Oud Hoorn , jg. 4, nr. 2, pp 30-34.
- Stins, C.J., 1954, Ten afscheid , Westfrieslands Oud en Nieuw , jg. 21, pp 33-34.
- Stins, C.J., 1956, In Memoriam J.C. Kerkmeijer , Westfrieslands Oud en Nieuw , jg. 23, pp 28-30.
- Visman, J. J., 40 jaar Commissie Landelijk Schoon, Westfrieslands Oud en Nieuw , jg. 31, pp 200-202.

 

Illustraties
- Portret en schilderij korenschoof: Vereniging Oud Hoorn.
- Foto's Noorderstraat 18a en gevelsteen: G. van Stijn.
- Foto glaskunstwerk: Vereniging Oud Hoorn.

Tekst samengesteld door Trudi Schrickx-Guinée, afgesloten 14-4-2017.