Een eeuw lang actief voor Hoorns erfgoed
Hoorns Biografisch Woordenboek (HBW)

Joost Jan Taemsz. (rond 1500-1559)

Personalia

Naam na 1529: Joost Jan Martsz.
Geboren: rond 1500.
Overleden: 1559 te Hoorn.
Zoon van Jan Taemsz. en Aegt Remmets.
Getrouwd (1): met Lubberich Berentant uit Haarlem, overleden in 1524.
Uit dit huwelijk twee kinderen.
Getrouwd (2): in 1529 te Amsterdam met Imme Merens, overleden in 1555.
Uit dit huwelijk twee kinderen, onder wie Jan Martsz.
Als adres genoemd: op ' t Noort.
Beroep en functies:
- Reder, koopman, vetweider.
- Lid vroedschap te Hoorn, van ? tot 1529.

Levensloop

Waar en wanneer Joost Jan Taemsz. geboren is, is niet bekend. Zijn ouders kwamen van elders, hebben zich in Hoorn gevestigd en land gekocht in Wognum. In 1506, 1510 en 1513 was zijn vader schepen in Hoorn, hetgeen erop wijst dat deze tot de gegoede stand behoorde. Het feit dat Joost lid van de vroedschap was, toont aan dat ook hij bemiddeld was. Joost dreef handel met de Oostzeelanden, de belangrijkste handelspartners in die tijd. Bekend is, dat hij in 1531 en 1551 in Estland was en dat hij handelscontacten had op Schonen, het zuidelijke schiereiland van het huidige Zweden. Daarnaast hield hij zich bezig met vetweiderij, dat wil zeggen dat hij runderen kocht, vetmestte en voor de slacht verkocht.


Vee in de weide, Paulus Potter 1652

Al in een vroeg stadium van de reformatie was hij de ideeën van deze beweging toegedaan. Openlijk liet hij zijn afkeer van de katholieke kerk blijken. Zo weigerde hij zijn hoofddeksel af te zetten, als de priester het volk met wijwater zegende en vertoonde hij zich op kerkelijke hoogtijdagen en bij processies in zijn dagelijkse kledij. In zijn huis werden heimelijk Lutherse bijeenkomsten gehouden. Met vijf anderen werd hij door de schepenen vanwege het bijwonen van deze vergaderingen tot een boete van zes carolusguldens veroordeeld. Dat hij zich over de kerkelijke ban smalend uitgelaten had, kwam hem wederom op een boete van zes carolusguldens te staan. Onduidelijk is, waarom hij zo'n opmerking gemaakt had. Was hij zelf in de kerkelijke ban gedaan?

In 1529 werd er een streng plakkaat op ketterij uitgevaardigd. Joost werd gewaarschuwd dat hij opgepakt zou worden en vluchtte naar Amsterdam. Zijn zetel in de vroedschap verloor hij hierdoor. In Amsterdam kwam hij aan huis bij Jan Martsz. Merens, een koopman en oliemolenaar, die met zijn gezin enige tijd in Hoorn had gewoond en ook Luthers gezind was. Jan Martsz. Merens was getrouwd met Geertruyd Boelens, een telg uit een Amsterdamse regentenfamilie. Joost, die toen al enige jaren weduwnaar was, trouwde nog in hetzelfde jaar met de dochter van dit echtpaar, Imme Merens. De broer van Imme en zijn nakomelingen noemden zich overigens Boelens, naar hun moeder.

In 1530 was Joost weer terug in Hoorn, het gevaar voor gevangenneming was blijkbaar geweken. Zijn rol in de politiek was echter uitgespeeld, hij kreeg zijn zetel in de vroedschap niet meer terug en kon daardoor ook geen andere hoge ambten bekleden. In 1548 moest hij kennelijk weer de stad ontvluchten: Hij woonde met zijn gezin van 1548 tot 1550 in Amsterdam.

Het huwelijk van Joost met Imme Merens was een ongelukkige verbintenis. De echtelieden pasten niet bij elkaar. Aangezien Joost geen gemakkelijk karakter had, kwam het regelmatig tot botsingen. De ruzies liepen zo hoog op dat Immes broer Claes een notaris in de arm nam om een onderzoek in te stellen naar Joosts gedrag. Deze notaris liet getuigen een verklaring afleggen over hetgeen ze gehoord of gezien hadden. Dit leverde niet veel op. Een buurvrouw wist alleen een voorval van twintig jaar geleden uit haar geheugen op te diepen. Het zal in Claes' bedoeling gelegen hebben met de attestatie van de notaris naar de rechtbank te stappen, maar hij heeft daar vermoedelijk van afgezien, omdat hij te weinig bewijs tegen Joost in handen had.

Ook de relatie van Joost met zijn schoonouders was slecht. Hij klaagde hen voor de rechtbank aan, omdat ze hem zevenhonderd gulden niet uitbetaalden, die ze hem bij het sluiten van zijn tweede huwelijk in de huwelijkse voorwaarden hadden beloofd. Dit was niet de eerste of de laatste keer dat hij voor de rechtbank verscheen. Al in 1519 was hij door de rechtbank veroordeeld tot betaling van alimentatie voor een in dat jaar geboren bastaarddochter, Anna genaamd. Herhaaldelijk werd er vanwege achterstallige betalingen beslag op goederen van hem gelegd. Later stonden hij en Anna jarenlang tegenover elkaar voor de rechtbank vanwege een huis dat hij haar zou hebben geschonken, en een stuk land dat zijn moeder haar zou hebben nagelaten.

Joost is tot aan zijn dood zijn ketterse overtuigingen trouw gebleven. Hij weigerde op zijn ziekbed het sacrament der stervenden te ontvangen. Het gevolg was dat de geestelijken hem een graf in gewijde aarde weigerden. Ze vonden dat hij op het misdadigerskerkhof begraven moest worden. Zijn nabestaanden wisten gedaan te krijgen dat ze hem toch, na betaling van een som geld, 's avonds in de Noorderkerk een laatste rustplaats mochten geven.

De kleinzoon van Joost Jan Taemsz. zou later de achternaam van zijn grootmoeder, Merens, aannemen. Joost Jan Taemsz. is dus in rechte mannelijke lijn de stamvader van het Hoornse geslacht Merens, dat enkele eeuwen lang een rol gespeeld heeft in het bestuur van de stad.

Voor familierelaties: zie familie Merens.

Bronnen
Hoofdbron
- Merens, Allard, 1957, De Geschiedenis van een Westfriese regentenfamilie. Het geslacht Merens, Martinus Nijhoff, 's- Gravenhage, hoofdstuk I, pp. 14-27.

Verdere bron
- Abbing, C.A.,1841, Geschiedenis der stad Hoorn, Gebr. Vermande, Hoorn.

Illustratie
- Mauritshuis,Den Haag

Tekst samengesteld door Trudi Schrickx-Guinée, afgesloten 30-1-2015.