Een eeuw lang actief voor Hoorns erfgoed
Hoorns Biografisch Woordenboek (HBW)

Meyndert Merens (1622-1681)

Personalia

Meyndert Merens
Meyndert Merens
1659, geschilderd door Abraham Liedts

Ook Meynaert genoemd.
Geboren: 3 september 1622 in Hoorn.
Overleden: 10 januari 1681 in Hoorn.
Zoon van: Jan Martsz Merens en Maria van Segwaert.
Studie: rechten in Leiden, oktober 1642 tot juli 1645.
Promotie: 10 november 1645 in Bourges (Frankrijk).
Getrouwd: 14 januari 1657 in Hoorn met Brigitta (Bregje) de Groot, geboren op 1 juli 1638 in Hoorn, begraven 30 januari 1686 in Hoorn. Uit dit huwelijk tien kinderen, onder wie Allard Merens. Vier kinderen sterven jong.

Functies in Hoorn:
- Commissaris van de kleine gerechtszaken, 1655, 1657, 1659, 1661.
- Voogd van het oudemannen- en vrouwenhuis, 1656, 1658, 1660.
- Kerk- en armenvoogd, 1662.
- Schepen, 1663.
- Lid van de vroedschap,1664-1681.
- Weesmeester, 1664, 1665, 1675, 1680.
- Burgemeester, 1666, 1673, 1674, 1676, 1677.
- Kerkmeester, 1667

Bovenlokale functies:
- Lid van de Gecommitteerde Raden van Holland en het Noorderkwartier,1678-1680.
- Gecommitteerde in de Generaliteitsrekenkamer,1667-1670.
- Gedeputeerde in de Staten-Generaal,1670-1673.
- Lid van het Geheim Besogne tot de Zeezaken, 1672.

Levensloop

De jonge Meyndert

Meyndert Merens jeugdportret
Meyndert Merens op drie- of vierjarige
leeftijd (1626), geschilderd door
Jacob Waben

Meyndert Merens is genoemd naar zijn grootvader van moederszijde, de Dordtse patriciër Meyndert van Segwaert. Als kind woonde hij ruim twee jaar, van 1631-1633, bij zijn vader in Londen, die deel uitmaakte van een gezantschap van de VOC dat langdurige onderhandelingen voerde met de Engelse OIC. Hij ging daar vermoedelijk naar school. Van oktober 1642 tot juli 1645 studeerde hij rechten in Leiden. Het was in die tijd niet ongewoon om na een studie in Leiden in het buitenland te promoveren. Dat deed Meyndert dan ook. Hij liet zich op 10 november 1645 aan de universiteit van Bourges inschrijven. Reeds op 14 december van hetzelfde jaar behaalde hij de doctorsgraad. Aansluitend maakte hij, net als zijn vader in zijn jonge jaren gedaan had, een reis door Frankrijk, Italië en Duitsland, de zogeheten grand tour. Hij nam daar langer d e tijd voor dan zijn vader. Pas na ruim twee jaar, op 6 juli 1648 was hij terug in Hoorn. Blijkbaar hield hij erg van reizen, want in de jaren die volgden, bezocht hij haast alle provincies van de Nederlanden, in 1652 was hij in Bohemen, Oostenrijk, Saksen en Denemarken, in 1654 en 1655 in Engeland. Vermoedelijk waren het reizen voor zijn eigen genoegen. Het is echter ook mogelijk dat hij zich af en toe heeft aangesloten bij een officieel gezantschap, zoals rijke jonge mensen toen wel vaker deden, soms op kosten van de staat, meestal echter voor eigen rekening. Na 1655 bleef Meyndert in Hoorn, waar hij meerdere malen optrad als reder of medereder.

Ambten in Den Haag

Brigitta de Groot
Brigitta de Groot, echtgenote van
Meynard Merens, geschilderd
door Abraham Liedts (1659)

Pas na zijn dertigste levensjaar vervulde hij publieke ambten. Tien jaar lang betrof dat lagere functies. Pas toen hij in 1664 op eenenveertigjarige leeftijd een plaats in de vroedschap kreeg, was het voor hem mogelijk ook hogere ambten te bekleden en het duurde niet lang of deze kwamen op zijn pad. In 1666 werd hij voor de eerste keer tot burgemeester gekozen en in 1665 en 1667 werd hij als gecommitteerde naar Den Haag gestuurd om namens de stad Hoorn deel te nemen aan de vergaderingen van de Staten van Holland. Daarna wachtten hem nog hogere posten in de landsregering. De stad Hoorn had namelijk namens het gewest Holland en West-Friesland het recht op één zetel in een van drie hoogste bestuurscolleges van het land, te weten de Staten-Generaal, de Raad van State of de Generaliteitsrekenkamer. De ambtstermijn in een college was drie jaar, daarna kwam Hoorn in aanmerking voor een zetel in een van de twee andere bestuurscolleges. Het was gewoonte geworden dat omwille van de continuïteit iemand, die een zetel innam in een van die drie bestuurscolleges na afloop van zijn ambtstermijn doorschoof naar een volgend college. Zo was Meyndert van 1667-1670 een van de twee vertegenwoordigers van het gewest Holland en West-Friesland in de Generaliteitsrekenkamer en van 1670-1673 lid van de Staten Generaal.

Het rampjaar 1672

De jaren dat hij lid was van de Staten-Generaal waren roerige jaren. Het jaar 1672, dat later bekend zou worden als het rampjaar, viel binnen zijn ambtstermijn. De politieke toestand was uiterst gespannen. Begin 1671 verhoogde Frankrijk de handelstarieven voor de Verenigde Nederlanden. Daarop voerden de Staten-Generaal een invoerverbod op Franse wijnen in en vermeerderden zij de rechten op Franse manufacturen. Meyndert werd op 19 januari 1671 benoemd in een commissie die deze besluiten moest uitvoeren. Toen men vreesde dat er weldra een oorlog zou uitbreken, werd er een Geheim Besogne tot de Zeezaken ingesteld, een commissie met vergaande bevoegdheden. Het kreeg een volmacht om besluiten te nemen over maritieme aangelegenheden zonder te overleggen met de algemene vergadering van de Staten-Generaal. Zo'n commissie kon sneller handelen en de geheimhouding was beter gewaarborgd. Naast raadpensionaris Johann de Witt, die vanaf 1653 de belangrijkste persoon was in het eerste stadhouderloze tijdperk (1650-1672), bestond de commissie uit een vertegenwoordiger van elk van de zeven provinciën en een griffier. Meyndert werd benoemd als afgevaardigde van Holland en West-Friesland. De eerste vergadering vond plaats op 19 maart 1672.

In april 1672 verklaarden Engeland, Frankrijk, Keulen en Münster de Republiek der Verenigde Nederlanden de oorlog. Op 27 april kreeg het Geheim Besogne er een taak bij: Het moest toezien op het uitrusten van de oorlogsvloot. Cornelis de Witt, de broer van Johan, werd aan de commissie toegevoegd. Hij vertegenwoordigde de Staten-Generaal op de vloot. Meyndert moest toezien op het uitreden van de schepen van een van de vijf admiraliteitscolleges, die het land kende, namelijk de admiraliteit van het Noorderkwartier. Op 29 april was hij daartoe in Hoorn. Er bleek een tekort te zijn aan matrozen en drie schepen waren nog niet van buskruit voorzien. Bovendien waren er nog geen mariniers, zeesoldaten, aan boord. Vooral het laatste probleem was lastig op te lossen, aangezien die niet onder de admiraliteit ressorteerden, maar onder de Gecommitteerde Raden van het Noorderkwartier. Officieel had Meyndert geen volmacht om deze zaak te regelen. Het kostte heel wat overredingskracht om dit college tot snelle actie te bewegen. Ondertussen ging Meyndert naar Medemblik, waar hij dezelfde problemen tegenkwam. Na een bezoek aan Enkhuizen en waarschijnlijk ook aan Harlingen, reisde hij door naar Den Helder, waar de oorlogsschepen zich verzamelden. Op 9 mei ging hij met de gebroeders De Witt, een aantal medegedeputeerden en Raden van de admiraliteit aan boord van De Zeven Provinciën, het schip van admiraal De Ruyter. Dit koos zee en daar werd krijgsraad gehouden. Besloten werd de Theems op te varen. Men veronderstelde dat de Franse vloot zich nog niet bij de Engelse had aangesloten en hoopte zo gemakkelijker een overwinning te kunnen behalen. Het plan mislukte doordat de Zeeuwse vloot, die zich met de andere Hollandse schepen zou verenigen, niet op de afgesproken dag was uitgevaren uit angst alleen te moeten vechten. Dit oponthoud gaf de Franse vloot de gelegenheid zich bij de Engelse aan te sluiten. Op 22 mei werden Johan de Witt en Meyndert Merens met de laatste aanbevelingen naar admiraal De Ruyter gestuurd. Vermoedelijk is hun missie mislukt, omdat de vloot inmiddels bij de Theems was aangekomen. Op 7 juni vond de slag bij Solebay plaats. Deze bleef onbeslist, maar de Engelsen leden grote verliezen. De Nederlandse republiek kon haar aandacht op de verdediging te land richten. Dat was hard nodig. Franse, Munsterse en Keulse troepen waren inmiddels het land binnengevallen. Het was noodzakelijk dat een deel van de mariniers het landleger versterkte. Merens was een van degenen die op 26 juni met De Ruyter moest overleggen, hoeveel man deze kon missen.

Intussen pakten zich donkere wolken boven het hoofd van Johan de Witt samen. Hij kreeg de schuld van de rampen die zich afspeelden. Het volk verwachtte redding van de prins van Oranje en kwam in opstand. Prins Willem werd in juli uitgeroepen tot stadhouder Willem III. Op 4 augustus legde Johan de Witt zijn ambt neer. Hij en zijn broer werden op 28 augustus in Den Haag door een woedende menigte op gruwelijke wijze vermoord.

Op 8 juli hadden vier afgevaardigden, onder wie Meyndert Merens, aan De Ruyter meegedeeld dat de prins tot kapitein-generaal en admiraal-generaal voor het leven benoemd was. Op 13 augustus was de slotzitting van het Geheim Besogne. Daarna ging Meyndert in de Staten-Generaal door met zijn werkzaamheden voor de vloot, nu als eerste woordvoerder op dit gebied. In april 1673 liep zijn mandaat in Den Haag af. Hij werd in Hoorn weer tot burgemeester gekozen en werd dus weer actief in de plaatselijke politiek.

Ambten in Hoorn

Prins Willem III had in de steden inmiddels de wet verzet, dat wil zeggen de aanhangers van De Witt uit de vroedschappen ontslagen. Merens, die toch nauw met De Witt had samengewerkt, behield echter zijn zetel in de vroedschap. Dat kwam doordat er in Hoorn bij de wetsverzetting ook andere overwegingen een rol speelden. Rond 1670 bestond de vroedschap in Hoorn uit twee facties, groeperingen waarvan de leden onderling elkaar de hand boven het hoofd hielden en de baantjes toespeelden. De leider van de ene groep, Jacob Sijms, was samen met Reinier Langewagen en Paulus Wijnkoop aangeklaagd vanwege malversaties bij de VOC. Bij de wetsverzetting ontsloeg Willem III alle dertien leden van de factie Sijms uit de vroedschap. Onder de dertien nieuwe leden die hij benoemde, was François van Bredehoff, die net als zijn vader Adriaen een vertrouweling van de prins was. Diverse malen kwam het tot conflicten tussen Merens en vader of zoon Van Bredehoff. In 1674 liep een conflict met François zo hoog op dat beiden hun gelijk probeerden te halen bij de prins. Deze besliste in het voordeel van François.

Na 1673 werd Meyndert nog vier keer burgemeester. Toen Hoorn in 1676 weer in aanmerking kwam voor een zetel in een van de generaliteitscolleges, werd hij gepasseerd. Wel nam hij in dat jaar en in 1677 als afgevaardigde deel aan de vergaderingen van de Staten van Holland.

In 1677 bood hij, die in dat jaar een van de vier burgemeesters was, zijn diensten aan als bewindhebber van de V.O.C. in Hoorn. Ook zijn ambtsgenoot François van Bredehoff ambieerde die post. De bewindhebbers werden gekozen uit de hoofdparticipanten. Dat waren in Hoorn degenen, die minstens ƒ 3000 aan aandelen in de kamer Hoorn van de V.O.C. bezaten. Een gelijk aantal bewindhebbers en hoofdparticipanten nomineerden drie kandidaten, van wie de vier zittende burgemeesters er een tot bewindhebber benoemden. Al enige tijd maakten sommige personen die bewindhebber wilden worden, vrij openlijk gebruik van een truc. Ze zetten aandelen voor korte tijd op naam van stromannen. Deze waren dan hoofdparticipanten en konden daardoor invloed uitoefenen op de nominatie. Meyndert was fel tegen deze handelwijze. In een brief aan de toenmalige raadpensionaris Fagel uitte hij zijn afkeer van deze praktijken en informeerde hij naar de mogelijkheid om nieuwe bewindhebbers bij de aanvaarding van hun ambt de eed van zuivering te laten afleggen, dat wil zeggen ze te laten zweren dat ze geen giften aan anderen hadden gegeven of beloofd om het betreffende ambt te verkrijgen. In 1675 hadden de Staten van Holland deze eed voor de aanvaarding van politieke ambten verplicht gesteld. Meyndert meende zich te herinneren dat afgesproken was die eed ook door V.O.C.- en W.I.C.-bewindhebbers te laten afleggen, maar in tekst van de resolutie was daarover niets te vinden. Kennelijk vermoedde Meyndert dat Van Bredehoff stromannen wilde inzetten. Als deze dat al gedaan heeft, dan heeft dat weinig succes gehad, want Meyndert kwam bovenaan te staan op de nominatie. De vier burgemeesters kozen echter toch François van Bredehoff, ongetwijfeld een grote teleurstelling voor Meyndert.

Meyndert Merens overleed op achtenvijftigjarige leeftijd. Hij werd begraven in de Grote Kerk.

Voor familierelaties: zie familie Merens.

Bronnen
Hoofdbron
- Merens, Allard, 1957, De Geschiedenis van een Westfriese regentenfamilie. Het geslacht Merens , Martinus Nijhoff, 's- Gravenhage, hoofdstuk 4, pp. 98-140.

Verdere bronnen:
- Abbing, C.A.,1841, Geschiedenis der stad Hoorn , Gebr. Vermande, Hoorn.
- Kooijmans, Dr. L., 1985, Onder regenten. De elite in een Hollandse stad. Hoorn 1700-1780 , Hollandse historische reeks IV, De Bataafsche Leeuw.
- Repertorium van ambtsdragers en ambtenaren 1428-1861 .

Illustraties
- Westfries Museum

Tekst samengesteld door Trudi Schrickx-Guinée, afgesloten 4-2-2015