Een eeuw lang actief voor Hoorns erfgoed
Hoorns Biografisch Woordenboek (HBW)

Robbert Robbertsz Le Canu (1563-1632)

Personalia

Geboren/gedoopt: 27 november 1563 te Amersfoort.
Overleden: 1632 te Hoorn.
Zoon van: Robbert Le Canu en Ceeltgen.
Getrouwd met: 1. Eva Goossensdochter, en 2. Anna Jacobsdochter (in 1601).
Kinderen: enkele, waarvan de namen niet bekend zijn.
Beroep en functies:
- schoolmeester, eigenaar van een zeevaartschool te Amsterdam, 1586-1610.
- idem te Hoorn, 1611-1632.
Verdere bezigheden: schrijver van religieuze pamfletten en liederen.
Woonplaatsen:
- Amersfoort 1563-1586.
- Amsterdam 1586-1610.
- Hoorn, Baadland, 1611-1632.

Levensloop

Robbert Robbertsz werd in 1563 geboren in Amersfoort als zoon van een doopsgezinde kerkelijk ‘dienaar’, zoals hij zijn vader noemde in een geschrift uit 1596. Rond 1597 voegde hij ‘Le Canu’ toe aan zijn naam Robbert Robbertsz. Hij nam deze bijnaam over van zijn vader. ‘Canu’ betekent ‘grijs of wit haar van ouderdom’. Robbert was een veelzijdig en strijdbaar man die zijn stem verhief tegen - in zijn ogen - misstanden in de protestantse kerken. Als we zijn activiteiten overzien, kunnen we die als volgt groeperen.

Zeevaartonderwijs

Le Canu was schoolmeester van beroep. Door zijn aanleg voor wiskunde richtte hij zich in zijn lessen al snel op onderwerpen uit de zeevaartkunde en stuurmanskunst; daarmee trok hij veel leerlingen. Hij had een eigen zeevaartschool, vanaf 1586 in Amsterdam en vanaf 1611 in Hoorn. Hij heeft zelf nooit gevaren en heeft zijn kennis dus nooit getoetst aan de praktijk. Daar is hij in zijn tijd op aangevallen door de zeevaartkundige Albert Haeyen, waarop hij een scherp weerwoord heeft geschreven, een van zijn weinige zeevaartkundige geschriften. Le Canu telde onder zijn leerlingen bekende namen uit de grote zeevaart, zoals Cornelis Houtman, de eerste Indië-vaarder, Jacob van Heemskerck, Jan Cornelisz. de Rijp, Gerrit de Veer - misschien ook Willem Barends - de mannen van Nova Zembla, de admiraal Jacob van Eck - die Indië bereikte in de helft van de tijd, die Houtman nodig had. Allen hebben bij Robbert Robbertsz. de stuurmanskunst geleerd. In zijn boek ‘Zeewezen en wetenschap’ uit 1986 bespreekt Davids uitvoerig de ontwikkeling van de stand van de kennis van de navigatietechniek en het zeevaartonderwijs in Nederland in de periode 1585-1815, en wijst daarbij herhaaldelijk - o.a. op pp. 313-315 - op de belangrijke rol die Robbert Robbertsz Le Canu heeft gespeeld bij de verspreiding van die kennis.

Le Canu temidden van zijn leerlingen (volgens Burger, 1908).
Le Canu temidden van zijn leerlingen (volgens Burger, 1908).

Dankzij de school van Robbertsz. vond ‘boekhouden’ (d.i. het bijhouden van een scheepsjournaal) ingang in de dagelijkse werkzaamheden van zeekapiteins. Het bijhouden van een journaal werd voor die tijd namelijk niet systematisch gedaan.

Robbert Robbertsz. was tevens actief als maker van kaarten en instrumenten. In 1611 bleek dat hij bij de landsregering om zijn zeevaartkundige kennis hoog stond aangeschreven. Hij kreeg een oproep om met Rodolphus Snellius de Staten-Generaal te adviseren over een werk van een in Amsterdam wonende Engelsman, Thomas Leamor, die een middel tot lengtebepaling op zee gevonden meende te hebben, waarvoor hem door de regering een zeer hoge premie (tienduizend gulden) was toegezegd, als de uitvinding bruikbaar bleek. De bepaling van de geografische lengte op volle zee - en daarmee positiebepaling en navigatie - was een groot practisch probleem voor zeevarenden op de grote vaart in de 15e - 18e eeuw. Daarvoor was een nauwkeurig lopende klok aan boord nodig die gedurende de hele reis de tijd van de vertrekhaven bleef aangeven. Immers, het tijdsverschil tussen deze tijd en lokale tijd op het schip kon eenvoudig worden omgerekend in het lengteverschil tussen de positie van het schip en de haven van vertrek (1 uur tijdsverschil = 15 graden lengteverschil). Men beschikte echter alleen over zandlopers en slingeruurwerken met alle beperkingen van dien. Er werden door de regeringen van verschillende landen grote beloningen uitgeloofd voor de oplossing van dit lengteprobleem. Leamer meende een oplossing langs astronomische weg te hebben gevonden. Deze en andere oplossingen waren al eerder voorgesteld door anderen (Galileo Galileï, Plancius, Snellius). Robbert was het met Snellius eens, dat de methode van Leamer geen practische waarde had, en wist de wonderlijke, in bijbeltaal ingeklede betogen van den Engelsman te weerleggen.

Het Sterrenlied voor de tijdsbepaling op zee

Vóór de fabricage van het eerste geschikte uurwerk voor gebruik op zee in 1764 door John Harrison was het bijhouden van het uur van de dag tijdens zeereizen lastig. Slingeruurwerken waren daarvoor ongeschikt. Zandlopers (‘glazen’) waren de enige tijdmeters op zee. Ze werden gebruikt voor het aangeven van het begin en eind van de 4-uurs wachtperioden en bij het bepalen van de vaarsnelheid met de loglijn. Houvast voor de tijdsbepaling had men aan de zon. Als de zon zijn hoogste punt bereikte (‘door de meridiaan ging’), was het per definitie twaalf uur in de middag plaatselijke tijd (‘ware middag’). ’s Nachts was dat uiteraard niet mogelijk. Wilde men 's nachts weten hoe laat het was, dan diende men zich te oriënteren op de stand van de sterren. Net als de zon hadden sterren hun eigen tijd om door de meridiaan te gaan, met dien verstande dat die tijd van het seizoen afhankelijk was. Uit de combinatie van de hoogte van een bekende ster en de datum viel dus de tijd te bepalen. Deze gegevens waren in druk beschikbaar, maar vermoedelijk vonden veel zeelui dat maar moeilijk. Daarom bedacht Robbert Robbertsz. le Canu rond het einde van de zestiende eeuw een alternatieve methode om deze gegevens vast te leggen, en wel in liedvorm. Door op een bekende melodie een berijmde tekst te maken waarin de sterrenkundige gegevens waren vervat had men geen gedrukte tekst meer nodig. De zeeman hoefde alleen maar het betreffende lied van buiten te leren. Het Sterrenlied is een van de weinige zeevaartkundige geschriften die bekend zijn van Le Canu. Hij schreef het in de periode 1590-1600. Het is voor het eerst in druk verschenen in 1614. Klik hier voor de tekst.

Discussie met Gerrit de Veer over de terugkeer van de zon na de poolnacht op Nova Zembla in 1597

Le Canu is in een langlopende discussie verwikkeld geweest met Gerrit de Veer over diens waarneming op Nova Zembla tijdens de derde poolexpeditie van Willem Barentsz, “dat sy de son misten op den 4 November in 't jaer 1596 ende de son wederom sagen in 't jaar 1597 den 24 Januarij”. De waargenomen tijd van terugkeer van de zon viel twee weken eerder dan de berekende tijd, en kon niet juist zijn volgens Robbert. Deze kwestie gaf toentertijd veel beroering. Dertig jaar later (1627) schreef hij hierover nog een uitvoerige brief aan Willem Jansz Blaeu, die is opgenomen in de Grooten Atlas van Joan Blaeu uit 1664. Daarin lezen we dat Le Canu van mening was dat de overwinteraars op Nova Zembla zich in de datum moeten hebben vergist. Klik hier voor de brief.

Al in 1604 verklaarde Johannes Kepler het verschil tussen de waargenomen en berekende tijd van terugkeer van de zon na de poolwinter door lichtbreking. Dit kon pas veel later worden bevestigd. In een artikel uit 2003 gaan Van der Werf e.a. in detail in op de discussie tussen Gerrit de Veer en Le Canu en op de natuurkundige verklaring van het effect, en wordt het gelijk van Gerrit de Veer bevestigd. Het staat nu bekend als het Nova Zembla effect.

Rekenkunde

Uit de jaren 1607 en 1608 dateert een aanplakbiljet, waarin Le Canu een prijs uitlooft voor de beste manier om een zeer groot getal ‘in duytsch’ uit te spreken. Deze kwestie heeft hij enkele jaren later (1612) uitvoeriger behandeld in zijn boek ‘Numeratio. Het eerste ABC der tal-konst’. Rekenmeesters uit het hele land deden mee aan de oplossing van de prijsvraag, behalve die in Amsterdam waar men zeer tegen Robbertsz gekant was. De prijsvraag ging over de vraag wie het volgende getal van 55 cijfers kan uitspreken in het Duytsch (Nederlands):

1357328400000761010843278190030045728345730285927003210

Tekst van de prijsvraag over de uitspraak van een groot getal.
Tekst van de prijsvraag over de uitspraak van een groot getal. De uitnodiging luidt als volgt:

Om de Gheesten te verwecken laet Robbert Robbertsz. vraghen
Oft hier eenich Reecken-Meester sal durven ghewaghen
In Duytsch uyt te spreken t'ghetal hier boven gheset
Die't eerst doet sal hebben een pinte Wijns ende noch bet.
Maer en kant niemant in Duytsch uytsegghen
Die compt by de
0 int Cyfer die salt u uytlegghen.

Was dit een grap? Nee, de vraag was volkomen ernstig bedoeld, en werd door tal van verstandige rekenmeesters serieus behandeld, en is zowel uit een rekenkundig als uit een taalkundig oogpunt de aandacht ten volle waard, aldus Burger in zijn biografie van Le Canu. Men sprak in die tijd van ‘duysent duysent’ voor milioen en zoveel keer ‘duysent’ achter elkaar als nodig was. In het dagelijks leven kwam dat niet voor , maar wel in de mathematica, bij het landmeten en het getal der sterren. Het woord ‘milioen’ kende men al wel, en ‘miliote’ (milioen maal milioen) en ‘milioen miliote’ en ‘miliote miliote’. Ook ‘myriade’ werd gebruikt (voor getallen van acht cijfers). Iemand stelde ‘grootduysent’ voor i.p.v. ‘milioen’, zoals men vaders vader grootvader noemt, en verder gaand ‘twede en derde grootduysent’. Robbert vond ‘milioen’ en ‘myriade’ geen ‘duyts’ en kwam met een andere oplossing van de prijsvraag die hij de ‘Hoornse uytspraack’ noemde. Hij benoemde elk cijfer naar zijn rang, maar zo dat wat wij eenheden noemen ‘nietlingen’ heten, de tientallen ‘eenlingen’, de honderdtallen ‘tweelingen’ en zo verder. Verder nam hij de cijfers van een groot getal in groepen van vijf. Het getal in de prijsvraag wordt dan uitgesproken als: 13573 vijftichling, 28400 vijfenveertichling, 76 veertichling, 10108 vijfendertichling, en zo verder. Dit stelsel vereenvoudigt het uitvoeren van berekeningen: ‘…. want ist dat men vijflingen met drielingen multipliceert, daar sullen achtlingen uytkomen, ende ist datmen daar tegen achtlingen door vijflingen deylt oft divideert, den uytkomst sal drielinghen wesen …’. Ondanks dit voordeel is het getalsysteem van Le Canu nooit in de praktijk gebruikt.

Berekening van de duur van de wereldgeschiedenis

In 1585 had Robbert een soort visioen, waarin hem de verborgen zin geopenbaard werd van de bijbelse voorschriften betreffende het Pascha en andere Israëlietische feesten, die volgens hem duidelijke mededelingen bevatten over het bestaan en de ondergang van de wereld. Daarop - doordrongen van het besef, een dergelijke directe ingeving te hebben ontvangen - dichtte hij een lied, waarin hij zich zelf op de lijn van de profeten stelde. In 1593 publiceerde hij het bewaard gebleven geschrift ‘Korte inleydinge der feesten Israels’. Daarin kwam hij aan de hand van bijbelboeken tot een berekening van de duur van de wereldgeschiedenis van resp. 5100 jaar van Adam tot Christus en 2900 jaar van Christus tot het einde der wereld. Dit werk is na zijn dood verschillende malen herdrukt, voor het laatsts in 1720. Ter vergelijking: de bekendste Bijbelse chronologie uit die tijd is die van de Ierse bisschop James Ussher uit 1650-1654. Deze vond als tijdstip van de schepping van hemel en aarde: het ingaan van de nacht voorafgaand aan Zondag 23 October van het jaar 4004 v. Chr.

Titelpagina van "Sommighe Buerpraetgens" door Le Canu uit 1614.
Titelpagina van "Sommighe Buerpraetgens"
door Le Canu uit 1614.

Religieuze pamfletten

Robbert Robbertsz. heeft zich als zeevaartkundige een gevestigde naam verworven, zoals we hebben gezien. Tegelijk speelde hij, hoewel staatsman noch godgeleerde, een belangrijke rol in de geschillen die destijds woedden in kerk en staat. Hij is zijn hele volwassen leven een bevlogen en gedreven ijveraar geweest voor gewetensvrijheid en verdraagzaamheid binnen de verschillende protestantse kerkgenootschappen. Hij zocht daarvoor de publiciteit middels talrijke religieuze pamfletten. Burger (1908) vermeldt 38 geschriften van Le Canu waarvan er ca. 30 over religieuze onderwerpen gaan. Hij nam veel zelfgeschreven liedteksten op in zijn geschriften en koos regelmatig de vorm van een samenspraak om zijn ideeën over het voetlicht te brengen. Daarbij nam hij geen blad voor de mond. Hij keerde zich tegen het ‘echtmijden,’ de eis dat een gemeentelid de echtgemeenschap zou afbreken, wanneer de echtgenoot niet tot de gemeente behoorde. Hij ging nog verder en schreef een strijdschrift tegen het ‘bannen, schouwen en mijden’ in 't algemeen, dat hij onchristelijk achtte. Zijn vrijzinnige opvattingen en openlijk strijdbare opstelling brachten hem in conflict met kerkelijke gezagsdragers en plaatste hem in feite buiten iedere kerkelijke gemeenschap (hij werd ‘gebannen’), ook al vonden zijn denkbeelden weerklank onder veel leden van het gewone kerkvolk. Hij ging zichzelf ‘neutraal christen’ noemen. Om zijn onpartijdigheid te benadrukken liet hij de kinderen uit zijn beide huwelijken bij verschillende kerkgenootschappen dopen, een enkel kind zelfs in de rooms katholieke kerk. Hij schrijft dat hij door de ban veel schade heeft geleden en in zijn goede naam is aangetast, “… so dat my veel eenvuldige menschen voor een kint der Hellen aensien, my gheen eedtwaer en willen vercoopen, mij een leelijcke afvallige noemen, iae my voor een Verleyder en Lasteraar aensien…”. Zijn conflicten met kerkelijke autoriteiten leidden ook tot problemen met het wereldlijke gezag en waren nadelig voor zijn school: “Zij hebben my van mijn Neeringhe berooft …”.

Hoornse jaren (1611 - 1632)

In 1611 zocht hij zijn toevlucht in Hoorn, alwaar hij in Pieter Jansz. Liorne, burgemeester van Hoorn en bewindhebber van de VOC, een beschermheer vond die een huisje voor hem liet bouwen waarin hij tot zijn dood zou mogen blijven wonen. Dit is geboekstaafd in twee notariële acten (zgn. attestaties) uit 1620. Volgens Brozius stond het huisje op het Baadland.

Robbertsz. kreeg vanaf 1614 ‘tot het onderhoud van sijn huijs ende beter opbouwinge van sijn schoole van de groote seevaaert‘ een jaarlijkse toelage van honderd gulden van de Admiraliteit van het Noorderkwartier. Deze toelage werd in augustus 1619 stopgezet, omdat de meester een pamflet ten gunste van de arminianen had geschreven, dat hij in 1618 persoonlijk ter hand had gesteld aan prins Maurits bij diens bezoek aan Hoorn. In 1630 ontving hij een toelage van de Staten-Generaal.

Tijdens zijn Hoornse jaren schreef en publiceerde Le Canu nog twaalf teksten. In 1618 verscheen de laatste. Nog één keer daarna, in 1627, greep hij de pen om de eerder genoemde brief aan Blaeu te schrijven over de datum van terugkeer van de zon op Nova Zembla. Le Canu had een levendige stijl van schrijven. Klik hier om daarvan een indruk te krijgen.

Le Canu is in 1632 in Hoorn overleden. Naar verluidt voorzag hij daar zijn laatste jaren in zijn onderhoud als brandewijnverkoper.

Een 0 in't cijfer

Robbertsz plaatste bovenaan de titelpagina van veel van zijn geschriften de woorden: “Onder verbetering”. De reden daarvan blijkt uit dit gedichtje van hemzelf (bron):

Ik ben een klerksken in Christus scholen.
Ten is geen wonder zoo leerjongens dolen,
Dus stel ik mijn werk, of ik faalyeerde.
Onder verbetering van wyzer Godgeleerde.
Door 't geloove ik dit werk met yver aanvaate;
Om nog beter te leeren sta ik gelaate.


Hij ondertekende zijn geschriften van 1600 tot 1610 met:
Een 0 in 't Cyfer.

Later ondertekende hij met:
Met een ghemeen.

Wat bedoelde hij daarmee? De 0 is een bijzonder cijfer. Op zichzelf is het niets, maar samen met een ander cijfer wel! Dus: alléén kan en beteken ik niets, maar samen met een ander of anderen kan ik véél betekenen. Kennelijk is dat, hoe hij zichzelf en zijn rol in het leven zag. Deze betekenis blijkt uit het volgende gedichtje dat Burger (1908, p. 117) van hem aanhaalt:

Niet ben ick, sal ick iet vermueghen t’eenigher tijde
Soo is my een van noode te hebben aen mijn sijde
Die hebbende ben ick hoogher dan eenighe ander ghetallen
En dan vermach ick meerder dan eenighe van haer allen
Maer sonder die en weet ick noch van toeten noch van blasen
En mijn broers zijn dan mijn Meesters, die anders vergeefs rasen.


Wat het wel dubbelzinig maakt is, wat Steven Blankaart in 1684 schrijft over ‘een 0 in 't cijfer’:

“Want als ymand al studeert, of hy werd opgevoed tot een Magistraats-persoon, so hy vorders geen Verstands genoeg heeft, sekerlijk so is hy een 0 in't cyfer, en niet meer dan een Amensegger.” (bron).

Dus de betekenis van meeloper en ja-knikker had ‘een 0 in 't cijfer’ in die tijd ook. En zo vatten tegenstanders van Le Canu als Gomarus het op, “die hem quasi op zijn eigen getuigenis als een nul behandelden”, schrijft Burger (p. 153).

Zijn allerlaatste geschrift (Gravamina ofte Swaricheden) uit 1618 sluit Le Canu af met een lied van negen coupletten. De laatste twee regels van ieder couplet zijn: “Dus en trou(w)ter gheen/ Blijft met een ghemeen.” Het slotcouplet luidt als volgt:

Ghy Christen Princen uyt-ghelesen /
Zijt ghy vry / soo blijft in Christo /
Laet alle secten in haer wesen /
Want het zijn al vuyl yveren sno /
Dus en trouter gheen /
Blijft met een ghemeen.


Zijn raad aan het eind van zijn schrijversloopbaan is dus: vorm geen sekten, maar blijf bij elkaar. Dat is waar hij zich zijn hele leven voor heeft ingezet, hoewel hij er in zijn tijd soms van is beschuldigd zélf een sekte te hebben willen vormen!

Bronnen
- Beeckman, Isaac, 1635 (1945). Journal tenu par Isaac Beeckman de 1604 à 1634. Tome 3: 1627-1634 (1635) (ed. Cornelis de Waard). Martinus Nijhoff, Den Haag, 1945.
- Burger, C.P., 1908. Amsterdamsche Rekenmeesters en Zeevaartkundigen in de Zestiende eeuw. Overgedrukt uit “De Amsterdamsche Boekdrukkers en Uitgevers”, Deel III, C.L. van Langenhuysen, Amsterdam, pp. 54-186.
- Burger, C.P., 1911. Canu, Robbert Robbertsz. le. In: P.C. Molhuyzen en P.J. Blok. Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, Deel 1, pp. 561-562.
- Davids, C.A., 1986. Zeewezen en wetenschap. De wetenschap en de ontwikkeling van de navigatietechniek in Nederland tussen 1585 en 1815. Uitg. De Bataafsche Leeuw, Amsterdam, 518 pp.
- Davids, C.A., 1991. Het zeevaartkundig onderwijs in de republiek gedurende de zeventiende eeuw. De Zeventiende Eeuw, Jaargang 7, pp. 37-46.
- Gent, Rob van, 2005. Het sterrenlied in het Hollandse zeevaartonderwijs. Gewina 28, 4, pp. 208-221.
- Kuyper, I., 1957. Pieter Jansz. Liorne en de Nederlandse scheepsbouw. West-Frieslands Oud en Nieuw, 24, pp. 60-75.
- Robbert Robbertsz Le Canu, 1592-1627. Geschriften van Le Canu die online beschikbaar zijn.
- Vlaar, H., 2016. Het Sterrenlied van Hoornaar Le Canu. Kwartaalblad Oud Hoorn, 38, 2, pp. 73-77.
- Waard, de, 2008. Leamer. In: P.C. Molhuysen en P.J. Blok (red.), Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 2. A.W. Sijthoff, Leiden 1912.
- Werf, van der, et al, 2003. Gerrit de Veer's true and perfect description of the Novaya Zemlya effect, 24-27 january 1597. Applied Optics, vol. 42, 3, pp. 379-389.
- Wikimanche, 2012. Lecanu/Le Canu.
- Wikipedia. Robbert Robbertsz. le Canu.
- Zilverberg, S.B.J., 1978. Robbertsz, Robbert, genaamd Le Canu. Biografisch Lexicon voor de Geschiedenis van het Nederlands Protestantisme, Deel 1, pp. 285-286.
- Zijpp, Nanne van der. (1959). Robbertsz, Robbert (1563-1627). Global Anabaptist Mennonite Encyclopedia Online.

Illustraties
- Le Canu en leerlingen: public domain.
- Le Canu prijsvraag: Burger, 1908.
- Le Canu titelpagina van ‘Sommighe Buerpraetgens’, Hoorn, 1614: public domain.

Tekst samengesteld door Frans Kwaad, afgesloten op 26 juni 2016.