Latijnse school
Meer geschiedenis
Bronnen wijzen erop dat al in de 14 de en 15 de eeuw de school vrij algemeen toegankelijk was in Nederland en dat het schoolbezoek door het stadsbestuur werd aangemoedigd. Elke parochie heeft in deze tijd minstens één lagere school, waar in de volkstaal het alfabet, de belangrijkste gebeden en het schrift worden onderwezen. Daarnaast heeft elke stad één 'grote school' en een Latijnse school, naast andere 'middelbare' scholen.
De Grote of Latijnse school staat meestal naast de grote kerk en wordt door de stad als prestigieus gezien. Aangezien de kwaliteit van de school - zonder een van bovenaf geregeld lesprogramma - sterk afhankelijk was van de meester, proberen steden hun school tot een goede te maken door een beroemde leraar aan te stellen. Achteraf benoemen we die scholen dan ook als 'de Latijnse school van Murmellius in Alkmaar' of 'de school van Johannes Cele in Deventer.' De schoolmeester werd in principe betaald via schoolgeld van de ouders, hoewel veel steden ook een soort 'beurssysteem' hebben gehad, waarbij arme scholieren het schoolgeld werd kwijtgescholden en door de stad aan de meester betaald. Op die manier probeerde men zoveel mogelijk jongens naar de school te halen. Ouders die hun kinderen naar een andere school stuurden, moesten aan de meester van de Latijnse school geld betalen omdat ze hem 'scholieren onthielden'.

