De Latijnse school in Hoorn (12/13)
Positie van rector, conrector en leraren
De Latijnse school in Hoorn (zoals elders) was een stadsschool, hetgeen
ook in de praktijk betekende dat er tussen school en stadsbestuur een
sterke band bestond. Het was zeker geen 'loze kreet' dat het
stadsbestuur zich in 1735 noemde 'urbis gymnasiique magistratus' (het
bestuur van de stad en het gymnasium).94) De reglementen voor de school
werden door het stadsbestuur vastgesteld. De curatoren (toen ook wel
scholarchen genoemd) hielden op de gang van zaken op school voor de
stad, als welks vertegenwoordigers ze optraden, toezicht. Of moeten we
zeggen: oefenden, samen met rector en leraren, het dagelijks bestuur
uit? Op alle vergaderingen waren immers de curatoren aanwezig, zodat ze
in de besluitvorming een groot aandeel gehad moeten hebben; misschien
wel het leeuweaandeel.
Een van de belangrijkste onderdelen van het beleid van de stad met
betrekking tot het gymnasium was de benoeming van rector, conrector en
leraren.95) Na het vertrek (c.q. de pensionering of het overlijden) van
de rector werd vaak de conrector in zijn plaats benoemd. Maar ook viel
de keuze wel eens op de rector van een andere Latijnse school. De nieuwe
conrector zal in Hoorn niet vaak een van de leraren zijn geweest. De
school was immers klein en bood maar zelden plaats voor een derde
classicus. Het was dus meestal een praeceptor van een (grotere) Latijnse
school elders in den lande. De leraar (lector) in de wiskunde was soms
een schoolmeester (ludimagister) uit de omgeving, soms ook een candidaat
in de wis- en natuurkunde van de universiteit.96)
De nieuwe benoemde rector hield, tijdens de openbare promotie op het
eind van de cursus, een inaugurele oratie. Zo sprak in 1825 dr. Abbing
(in het Latijn) over 'De oorzaken, waardoor de Grieken zo grote
vorderingen in kunsten en wetenschappen maakten'.97)
Soms solliciteerde de rector weg naar een andere school, maar meestal
bleef hij tot z'n dood in Hoorn lesgeven. Er was nl. geen wettelijke
verplichting het ambt op 65-jarige leeftijd neer te leggen. Rector
Johannes Biman besloot, toen hij de 70 naderde, eigener beweging op te
houden na 40 jaar het onderwijs in Gouda, Enkhuizen en Hoorn te hebben
gediend.98)
Van een nieuw te benoemen leraar kon het afleggen van een proeve van
bekwaamheid (dat in de praktijk neerkwam op een compleet examen) worden
verlangd. Toen in 1753 de praeceptor Petrus van den Heuvel was
overleden, solliciteerde in zijn plaats Theodericus Duym, Leids student
in de klassieke letteren. De rector nam hem, in tegenwoordigheid van de
curatoren een examen af, waarbij hij hem stukken voorlegde van de
Latijnse schrijvers Tibullus, Nepos en Cicero (uit de Orationes) en
vervolgens uit de (Griekse) Handelingen van de Apostelen. Hij voldeed
aan de hem gestelde eisen, tot volledige genoegdoening van Heren
Curatoren en werd dan ook door dezen gelukgewenst 'met woorden, die
getuigden van hun gunst en welwillendheid' (verbis utentes favore et
benevolentia plenis). Twee dagen na het examen werd hij door de rector
plechtig de school binnengeleid.99)
De betaling van de rector en z'n leraren was natuurlijk in de eerste
plaats een zaak die het stadsbestuur aanging. Maar in bepaalde gevallen
droeg ook de kerk haar steentje bij. Zo kreeg in 1740 de rector voor het
waarnemen van de lessen bij een vacature 150 carolus guldens van de
kerkvoogden (ab aedilibus tem pli majoris).100) De steun die de kerk -
ook bij andere gelegenheden - de school bood was niet alleen de
voortzetting van een traditie die in de Middeleeuwen wortelde, zij had
ook een praktische betekenis. Het gymnasium was in die tijd niet in de
laatste plaats de vooropleiding van toekomstige predikanten, m.a.w. het
percentage leerlingen dat aan een universiteit theologie ging studeren
was betrekkelijk hoog.

Een portret van Abbing bezitten we niet, maar wel zijn handschrift. Toen hij rector was geworden schreef hij allereerst in 'het boek' een korte karakteristiek van zijn voorganger, terwijl hij vervolgens zichzelf voorstelde.
Het is bijzonder jammer dat - bij gebrek aan gegevens - de rectoren, conrectoren, praeceptoren en lectoren geen werkelijke 'figuren' voor ons zijn geworden. Op een enkele uitzondering na ( rector Rodingenus, conrector Bruno en rector Abbing) blijven het namen. Ook over hun wetenschappelijke en onderwijskundige kwaliteiten verkeren we in het onzekere. Ecco Epkema (die de school in 1813 verliet) wordt - door z'n opvolger - beschreven als 'een man, in alle opzichten zeer geleerd, wiens opvolger, al zal hij niet in staat zijn de wond, het gymnasium ( door z'n vertrek) toegebracht te helen, tenminste kan proberen hem te verzachten' (vir ab omni parte eruditissimus, cujus successor Gymnasio inflictum vulnus utinam non sarcire, minuere saltem valeat).101) Van rector Swaen wordt bij z'n overlijden door opvolger Abbing - aangetekend: 'docendi facultate singulari' (met een bijzonder doceertalent). Moeten we deze karakteristieken beschouwen als panegyriek ten gunste van een vertrokken of overleden voorganger, of geven ze iets weer van de werkelijkheid? We durven het niet te zeggen, mogen hoogstens veronderstellen dat de school vele bekwame docenten heeft aangetrokken.
94) Gemeentearchief, Inventaris nr. 2470, Decreta.
95) Ibidem
96) Ibidem
97) Ibidem
98) Ibidem
99) Ibidem
100) Ibidem
101) Ibidem



Nieuws