Een eeuw lang actief voor Hoorns erfgoed

Ach Lieve Tijd 2: Zeven eeuwen Hoorn,
zijn bewoners en hun zieken en armen

Het voedsel was eenvoudig, het bestond voornamelijk uit erwten, bonen en gort met stroop en de huisregels waren streng. Maar alles was beter dan het vooruitzicht van een onverzorgde oude dag en er stonden altijd liefhebbers genoeg op de wachtlijst.

Een zilveren instrumentendoosje van een chirurgijn, dat omstreeks 1750 gemaakt is (WFM).

Lijders aan een besmettelijke ziekte werden in het gasthuis niet toegelaten. Voor melaatsen was buiten de stad, aan het Keern, een ‘Leprooshuis’ met een eigen kapel. Lepra werd in die tijd nog gezien als een gevaarlijke, besmettelijke ziekte. Leprozen mochten wel in de stad bedelen, maar ze moesten daarbij voorgeschreven kleding dragen en hun aanwezigheid kenbaar maken met een ratel.
Voor lijders aan de pest, een andere gevreesde ziekte die sinds het midden van de veertiende eeuw ontelbare slachtoffers maakte, werd in 1562 tussen Vollerswaal en Jeudje een pesthuis ingericht, nadat de stad in 1558 door een hevige pestepidemie was getroffen. Volgens de geschiedschrijvers waren tijdens deze epidemie dagelijks 20 tot 30 doden te betreuren. Later werd een gebouw op het terrein van het klooster St. Pietersdal ingericht als Pesthuis. Ongeveer op die plaats werd in 1685, toen de ergste pestepidemieën achter de rug waren, het Huiszitten Armen Weeshuis gebouwd. Het is nu nog terug te vinden als een gedeelte van een garage aan de Veemarkt.
In de achttiende eeuw kreeg het St. Jansgasthuis steeds meer de functie van proveniershuis. Het gevolg daarvan was, dat Hoorn in het begin van de negentiende eeuw vrijwel geen onderkomen meer had voor armlastige zieken. Na lang beraad werd in 1866 een Stadsziekenhuis gebouwd.

430
Het Kerkplein met het St. Jansgasthuis rond 1903. Halverwege de vorige eeuw werd het vervallen gasthuis in de binnenstad niet meer geschikt gevonden. De zieken werden, in afwachting van een beter onderkomen, tijdelijk ondergebracht in het gebouw van de West-Indische kamer aan de Binnenluiendijk. In 1866 werd het nieuwe Stadsziekenhuis gebouwd (Coll. W.F.H. Robat).

 

Een probaat middel

Met de medische kennis was het in het verleden maar matig gesteld. Artsen met een universitaire opleiding waren er maar weinig in de Noordelijke Nederlanden. Wie medicijnen wilde studeren, moest daarvoor naar verre steden als Leuven, Parijs, Madrid of Padua.


De regenten van het Hoornse chirurgijnsgilde omstreeks 1750. Het gilde had Cosmas- en Damianus als beschermheiligen. Deze tweelingbroers, die zich in de medicijnkunst hadden bekwaamd, zouden omstreeks het jaar 300 om hun geloof de marteldood zijn gestorven. In het Cosmas- en Damianusgilde waren chirurgijns en apothekers verenigd. Het gilde had in de Oude Oosterpoort een ‘snijkamer’, waar 's winters anatomische lessen werden gegeven (WFM).