Een eeuw lang actief voor Hoorns erfgoed

Ach Lieve Tijd 3: Zeven eeuwen Hoorn,
zijn bewoners en hun reislust

Maar ook dichterbij kon men terecht, zoals bij Onze Lieve Vrouw van 's-Hertogenbosch of 's-Gravenzande. Niet altijd werden deze pelgrimstochten vrijwillig en uit godsdienstige overtuiging ondernomen. Het maken van een bedevaart kon ook als straf worden opgelegd voor een misdrijf. Terwijl de dader zijn boetereis maakte, konden bij het slachtoffer en diens familie de woede en de wraakgevoelens wat verminderen. In het algemeen was er dan ook verband tussen de lengte van de opgelegde bedevaart en de ernst van het gepleegde misdrijf. Bij zijn terugkeer moest de pelgrim een bewijs kunnen tonen dat hij de hem opgelegde bedevaart had volbracht. Pas dan werd hij weer in de stad toegelaten.

Gravure uit de Kronijk van Hoorn van Feyken Rijp met het vertrek van Ellert Verscarn. Als we het verhaal moeten geloven, legde de Hoornse brouwer de reis in zijn bootje van koeiehuiden naar de Oostzee al roeiend af (AWG).

Er was niet veel voor nodig om veroordeeld te worden tot een bedevaart. Dat ondervond Jasper Jansz, die de stedelijke keurmeester had beledigd. Hij werd verbannen uit het rechtsgebied van de stad en mocht daar pas weer terugkomen als hij een bedevaart had gemaakt naar het Zwitserse Einsiedeln. Werd hij voordien in de buurt van de stad gesignaleerd, dan zou zijn rechterhand worden afgehakt.

Goklustig

Onze voorouders waren verwoede gokkers. In 1558 sloot de Hoornse bierbrouwer Ellert Verscarn met enkele vrienden een weddenschap af. De inzet was, dat hij over de Noord- en de Oostzee naar Danzig zou varen in een bootje dat gemaakt was van vier koeiehuiden.
In gezelschap van zijn hondje volbracht Ellert de gevaarlijke reis. Bij aankomst in Danzig verkocht hij zijn vaartuig aan enkele kooplieden, die het vervolgens aan de koning van Polen schonken. Deze liet het als curiosum ophangen in de kathedraal van Krakau.

Soms werden weddenschappen afgesloten op de behouden terugkeer van een reiziger, of was het maken van een reis onderdeel van een koopovereenkomst. Bij de verkoop van goederen werd dan bedongen dat er pas betaald moest worden als de verkoper de tocht had volbracht. Zag de verkoper van de reis af, of keerde hij niet binnen een bepaalde tijd terug, dan hoefde de koper niets te betalen. Met zulke transacties waren vaak grote bedragen gemoeid, zoals bij de verkoop van een huis, landerijen of schepen. Enerzijds getuigt het van de goklust van onze voorouders, anderszijds bood zo'n overeenkomst de verkoper de mogelijkheid een lang gekoesterde wens te vervullen. Hij kon met een gerust hart op reis gaan, want zijn bezit was in goede handen en bij thuiskomst wachtte hem zijn geld.

550
Gezicht op Hoorn, in 1622 geschilderd door H.C. Vroom. Links en rechts is een Pinas te zien, een versterkt koopvaardijschip. Het zeilschip in het midden is een veerkaag, waarmee reizigers in die tijd ook 's nachts naar Amsterdam konden. Omdat van slapen toch niet veel terecht kwam, maakte men het zich in het ruim gezellig bij een kaars of lantaarn die de schipper tegen vergoeding verstrekte. Wie het koud kreeg, kon tegen betaling van de brandstof een ‘vuyster’, een stookplaat laten bijschuiven (WFM).