Een eeuw lang actief voor Hoorns erfgoed

Ach Lieve Tijd 3: Zeven eeuwen Hoorn,
zijn bewoners en hun reislust

De vier plaatsen zouden de aanlegkosten betalen voor zover de weg over hun grondgebied liep. Hoorn en Enkhuizen zouden de weg ‘ten eeuwigen dage’ onderhouden.
De weg was ruim 18 kilometer lang en bijna vier meter breed. Voerlieden uit Hoorn en Enkhuizen onderhielden de dienst voor gezamenlijke rekening. Zes keer per dag reden zij tussen de twee steden op en neer.

De paardetram naar Enkhuizen bij de pomp in Westwoud omstreeks 1910 (NVBS).

De reis van Hoorn naar Enkhuizen duurde ongeveer twee uur en kostte 13 stuivers. Daarvan moesten de voerlieden drie stuivers afdragen voor het onderhoud van de weg. Bij het passeren van de stadspoorten moesten zij bovendien passagegeld betalen. Dat leidde vaak tot hooglopende ruzies. Jochen Kieneke en Grietje Maertens, de poortwachters van de Ooster- en Westerpoort, klaagden dat ze zo vaak door de voerlieden werden bedreigd, dat ze niet meer in staat waren hun werk behoorlijk te doen.

Stoomtrams

In 1881 verleenden de gemeenten Hoorn en Enkhuizen de West-Friesche Tramweg Maatschappij vergunning om een tramlijn te exploiteren. De tussenliggende gemeenten wilden daar niet aan meewerken, omdat zij vreesden dat een stoomtram teveel overlast zou geven en het vee ervan zou schrikken. Met het gebruik van zogenaamde vuurloze locomotieven konden Grootebroek en Hoogkarspel wel accoord gaan. In zulke locomotieven was de stoomketel vervangen door een stoomhouder. Al na een korte rit moest de stoomhouder worden bijgevuld tot een druk van 15 atmosfeer. In de remise Nadorst werden daarom twee vaste ketels geplaatst en in de remise Grootebroek drie. Al spoedig bleek dat het systeem niet werkte. Bij bruggen moest soms een locomotief met een goedgevulde stoomhouder bijspringen om de tram tegen de helling op te krijgen. Want vooral bij koud weer liep de druk snel terug. Na enige tijd werden de vuurloze machines dan ook vervangen door echte stoomlocomotieven.

De paardetram naar Enkhuizen begin deze eeuw. Getrokken door een span schimmels buigt de tram af van de huidige Provinciale weg naar de Koepoortsweg (AWG).

In Hoorn vertrok de stoomtram van de Korenmarkt en reed vervolgens over Wijde Brugsteeg, Grote Oost, Rode Steen, Grote Noord, Noorderveemarkt, Spoorsingel, Koepoortsweg en Nieuwe Weg naar de Nadorst. Tussen Blokker en Grootebroek reden omnibussen, door paarden getrokken rijtuigen, die bij vaste haltes stopten. Vanaf de remise Grootebroek reed weer een stoomtram naar Enkhuizen.
Al snel bleek dat op deze omslachtige manier een rendabele exploitatie niet mogelijk was. Daarom werd de dienst al in 1884 gestaakt. De N.V. Paardentram Hoorn-Enkhuizen wilde er toen een doorgaande paardetramlijn van maken, maar Westwoud en Hoogkarspel weigerden rails te laten leggen op hun grondgebied. Pas na vier jaar touwtrekken kon de paardetram in januari 1889 zijn eerste rit maken. Maar blijkbaar was de reislust van de Westfriezen minder groot dan men had verwacht, want ook de paardetram leed aanhoudend verliezen. Drie jaar later ging de onderneming failliet. De dienst werd overgenomen door de N.V. Rotterdamsche Tramweg Maatschappij, die tot 1918 bleef rijden. In dat jaar werd de lijn opgeheven.
In 1903 begon de N.V. Spoorweg-Maatschappij ‘De Zuider-Kogge’ te rijden op een nieuw aangelegde trambaan, die van Hoorn over Schellinkhout, Wijdenes, Oosterleek, Hem, Venhuizen, Grootebroek, Bovenkarspel en Broekerhaven naar Enkhuizen liep. In 1936 werd de lijn opgeheven en werden de sporen opgebroken.

430
De paardetram uit Enkhuizen rijdt over de Spoorsingel op weg naar het eindpunt van de lijn op de Rode Steen (AWG).