Een eeuw lang actief voor Hoorns erfgoed

Fa. De Gruyter & Zoon, bloei en teloorgang

Huisarchitecten

De eigen huisstijl ontwikkelt zich gedurende het gehele bestaan van het bedrijf en wordt gerealiseerd door in eigen bedrijfsdienst zijnde architecten. Dat zijn WG. Welsing (1858-1942) en T.P. Wilschut (1905-1961).

Hoekwinkel de Gruyter
Hoekwinkel van de Gruyter
gelijkend op de Hoornse vestiging

W.G. Welsing bouwt in zijn aanvangsperiode volgens de neorenaissance. Zijn eerste dienstverband bij het architectenbureau van G.B. en A. Salms in Amsterdam zal hier niet vreemd aan zijn. Vanaf 1900 worden onder invloed van het Rationalisme van Berlage en de Bazel zijn werken soberder en zijn materiaalgebruik doelgerichter. Zijn De Gruyterwinkels vallen op doordat de hoofdvorm van de winkelpanden een eigen variant van de Amsterdamse Schoolstijl, één van de stromingen binnen het Expressionisme, laat zien. Van het Rationalisme, de bron van o.a. de expressionistische Amsterdamse Schoolrichting, neemt hij nog een kenmerk mee. Namelijk een sterk opgaand torenachtig, meestal symmetrisch en enigszins risaliserend (naar voren springend) middendeel, dat iets boven de zijvleugels van het bouwwerk uitrijst. Ook de opgaande pilasterachtige lisenen van de overige geveldelen versterken het oprijzende karakter van de gevelopbouw. Vormt het midden- of hoofddeel van de gevel de hoek van twee straten, dan bevindt zich hier de torenachtige gevelopbouw en versterken zwaarder uitgevoerde hoeklisenen door hun overhoekse vorm het torenachtige effect. Zowel de onderpui als de winkelinrichting hebben een art deco-achtige afwerking. Vooral aan de winkelpuien in de drukke straten van de grote steden is deze vormgeving zichtbaar. In Den Haag staat nog, naar zijn ontwerp, de gemeentelijk monumentaal be schermde De Gruyterwinkel van 1917 als één van de weinige winkels, waarvan de gehele gevel een uiterlijk in art-deco-trant heeft gekregen.

Art-Deco

gevelversiering


detail versiering

Welsing was ook actief voor Vroom en Dreesmann. De naamgeving Art-Deco is ontleend aan de wereldtentoonstelling met de naam: 'l'Exposition Internationale des Arts Décoratifs et Industriels Modernes', die in 1925 te Parijs wordt gehouden. De Art-Deco manifesteert zich vooral in de periode 1910-1940. Gedurende de jaren-60 van de vorige eeuw bloeit deze stroming weer op. Merkwaardigerwijze krijgt deze decoratie en gebruiksgoederenstijl dan pas de benaming van Art-Deco. In de Verenigde Staten neemt de Art Deco een grotere vlucht dan in West-Europa. Er zijn twee richtingen binnen deze stroming: een traditionele richting, georiënteerd op de 18 en 19 eeuw en gekenmerkt door het gebruik van kostbare materialen en handwerk. De andere z.g. modernistische richting legt zich toe op gebruik van nieuwe materialen, machinale productie wijze en functionaliteit.
'Moderne' materialen van toen kunnen zijn: celluloid, triplex, chroom, nikkel en decoratieve elektrische verlichtingselementen.
De traditionele richting maakt gebruik van dure uitheemse houtsoorten, lak- werk, natuursteen, gekleurd glas en kristal, zelfs zilver ingelegd in ivoor. Art-deco is vooral de benaming van een kunstnijverheidsstijl en nagenoeg onafhankelijk van de architectuur, schilder- en beeld houwkunst.

Voor zover de Art-Deco binnen de Nederlandse architectuur wordt aangetroffen, heeft deze stijl hoofdzakelijk gefungeerd als een decoratieve ondersteuning van het bouwkundig ontwerp. Als architectuurstroming zijn de meeste voorbeelden aan te treffen binnen de expressionistische Amsterdamse Schoolstijl. Het Tuschinskitheater te Amsterdam van 1921 en de vroege winkels van De Gruyter tonen er voorbeelden van.