Een eeuw lang actief voor Hoorns erfgoed

Pool's tabaksfabriek

Eigen teelt tabak

Terwijl de firma Pool in de jaren 30 zo goed floreert dat de firma halverwege de jaren 30 fors kan uitbreiden, betekent de Tweede Wereldoorlog voor de firma net als voor veel andere bedrijven en bedrijfstakken een moeilijke periode.

De aanvoer van buitenlandse tabak stagneert en om de beperkte voorraden eerlijk te verdelen gaat de tabak van 1942 tot 1949 op de bon. Om toch te kunnen produceren en als industrie te kunnen overleven gaat de Nederlandse tabaksindustrie over op het verwerken van tabak van eigen bodem.

Het rode dorp
Het "Rode dorp" aan de Venenlaan

Op een foto van mei 1945 van een van de hofjes van het "rode dorp" aan de Venenlaan is goed te zien hoe tabak zelfs in een stad kon worden geteeld.
Mogelijk waren werknemers van Pool de initiatiefnemers tot het verbouwen van tabaksplanten op deze plek. Enkele werknemers woonden namelijk aan de Venenlaan, en een paar zelfs in een van de hofjes van het "rode dorp". In ieder geval zijn de bladeren bij Pool verwerkt tot tabak.
Ook uit dorpen uit de omgeving van Hoorn werden eigen geteelde tabaksbladeren naar Hoorn gebracht om door Pool te worden verwerkt.

De eigen teelt tabak maakte het bij Pool noodzakelijk de tabak vanaf het nog groene blad tot aan het eindproduct te gaan verwerken. Het hield in dat de verse bladeren eerst gedroogd en gefermenteerd moesten worden voor ze de vertrouwde bewerkingen konden ondergaan. Om de nieuwe bewerkingen te kunnen doen werd een tabaksspecialist ingehuurd die begeleiding tijdens dit proces kon bieden.

Voor het fermenteren werden in een van de panden aan het Achterom de bladeren op een zeil op een grote hoop gelegd. In de hoop bladeren werden holle ijzeren staven gestoken die gevuld met thermometers de mogelijkheid gaven de inwendige temperatuur van de stapel te controleren. Als tijdens het fermentatieproces de inwendige temperatuur van de hoop te hoog werd werd een laag bladeren van de hoop verwijderd waardoor koeling ontstond. Om het fermentatieproces gelijkmatig te laten verlopen was het ook noodzakelijk de bladeren regelmatig te keren. Het keren was echter bepaald geen geliefde klus. De eenmaal geopende hoop bladeren gaf een vreselijke stank af.

De in de oorlogsjaren geproduceerde eigenteelt tabak werd gemerkt met het stempel "Amateurstabak". In het Westfries Museum bevinden zich enkele eigenteelt "lichte shag" pondsverpakkingen. Ze zijn gemaakt van bruin papier en hebben het stempel "Amateurstabak". Het is goed mogelijk dat de verpakkingen afkomstig zijn van Pool. Het is bekend dat bij Pool dergelijke verpakkingen zijn geproduceerd, maar ook de eerder genoemde bruine puntzakjes zijn gebruikt voor de verpakking van de 'Amateurstabak'

Amateur sigaretten
Pakje 'Amateur' sigaretten

Ook de sigarettenindustrie moest gebruik maken van de eigenteelt tabak. Er zijn verschillende afwijkende verpakkingen bekend, soms met een gewoon bekend merk met het extra stempel "amateursigaretten" maar meestal verpakkingen met als merknaam "Amateurs Sigaretten".

Na de Tweede Wereldoorlog duurt het nog enige jaren voor de binnenlandse productie en de import van buitenlandse goederen weer op een aanvaardbaar niveau komen. Pas na 1949 zal de import van buitenlandse sigaretten en tabak weer volledig worden vrijgegeven.

 

In Amerongen en omgeving was nog een gebied waar men van oudsher al tabak teelde en ook Pool is in deze periode voor een deel aangewezen geweest op de productie uit dit gebied. Daarnaast wordt er gebruik gemaakt van eigenteelt tabak die soms professioneel, maar meestal door amateurs op kleine perceeltjes grond werd verbouwd.

Het in Nederland verwerken van inlandse tabak was overigens niet nieuw. Al in de 17e en 18e eeuw was er in Nederland een grote tabak verwerkende industrie. Amsterdam was in die tijd hét centrum waar veel tabaksverwerkende bedrijfjes de in de provincies Gelderland en Utrecht geteelde tabak verwerkten tot tabak voor pijp, snuif en sigaar. Er was zelfs een belangrijke export van deze in Nederland verbouwde tabak. Er werd geëxporteerd naar landen als Engeland, Frankrijk, Duitsland, België, de Scandinavische landen en de Oostzeelanden. Vooral voor de Engelse tabaksindustrie was de Hollandse tabaksteelt en tabaksverwerking een geduchte concurrent. Men kon vanuit Nederland sterk concurreren door de smaak van de zware kwaliteit Hollandse teelt tabak te maskeren door te mengen met de uit de Engelse koloniën geïmporteerde milde Virginia tabak. Meestal werd er gemengd in de verhouding tweederde Virginia, eenderde Hollandse tabak.

De kwaliteit van de eigenteelt tabak in en na de oorlog was bij lange na niet te vergelijken met die van de overzeese tabakssoorten. We zagen in de 17e en 18e eeuw al dat de inlandse teelt tabak werd gemengd met Virginia tabak. Virginia tabak is in de oorlogsjaren niet voorhanden en men moet het dus doen met de slechte kwaliteit eigenteelt. Het bleef surrogaattabak.