Meer dan een eeuw actief voor Hoorns erfgoed

Slagers van Hoorn

Organisatie van de slagers

St. Anthonis, beschermheilige van o.a. slagers De officiële erkenning van de gilden betekende voor het maatschappelijk leven in ons land het begin van een nieuw tijdperk. Men zoekt de oorsprong van de gilden in de broederschappen, die in de heidense tijd bij de Germaanse stammen bestonden. Soortgelijke instellingen werden ook aangetroffen bij niet-Germaanse volken, zoals bij de Romeinen.

Het gilde was in de Germaanse oudheid een verbond van vrije mannen tot onderlinge hulp en trouw. Elk gilde stelde zich onder de bescherming van een der heidense goden, aan wie het offerde en een altaar wijdde. zie 1)

In plechtige optocht trokken de gildenbroeders, door priesters voorafgegaan, rond de offerplaats en ze voerden een offerdier mee, meestal een paard. Dit offerdier werd, met kransen omhangen en met bloemen versierd, driemaal rond het heiligdom geleid, daarna geslacht en in stukken verdeeld. Dan volgde het offermaal, rijkelijk met bier besproeid.

Het leven van de Germanen kenmerkte zich ook door oorlogvoeren. Dapperheid werd als hoogste deugd beschouwd. Zo werden de gildenbroeders al gauw wapenbroeders en het offergilde werd tevens een schutsgilde (schutten = beschermen).

Toen het christendom in deze streken vaste voet kreeg, trachtte dit allerlei heidense gebruiken uit te roeien. Omdat het paard bij uitstek tot het offeren had gediend, werd zelfs een absoluut verbod op het eten van paardenvlees uitgevaardigd. Het christendom is er niet totaal in geslaagd de diep in het volksleven gewortelde gebruiken af te schaffen, al onderging de volkscultuur wel de invloed van het christendom en wijzigde het van karakter.

In de middeleeuwen stelden de gilden zich niet meer onder de bescherming van Wodan, maar onder de bescherming van een christelijke heilige. De gemeenschappelijke maaltijden bleven in ere. Zij werden om hun gewijd karakter in of bij de kerk gehouden. De gildenbroeders en -zusters verplichtten zich dagelijks voor elkaar te bidden, zowel voor de levenden als voor de zielen van de overledenen. Zij droegen hun doden plechtig in processie en onder het zingen van litanieën naar de kerk.

Bij de adel zien we de oude Germaanse schutsgilden terug in de vorm van riddergenootschappen of ridderlijke broederschappen. De vrije burgers organiseerden zich in schuttersgilden.

De geschiedschrijvers menen dat de ambachtsgilden nog ouder zijn dan de schuttersgilden van de vrije burgers. Zij zouden zijn ontstaan vóór de opkomst van de vrije steden. Vooral in de periode van de kruistochten zouden de handwerkslieden van hetzelfde beroep zich ter onderlinge bescherming en uit behoefte aan zelfstandigheid hebben verenigd.

Ook bij deze ambachtsgilden bleven een aantal kenmerken van het oude Germaanse gilde bewaard: de beschermheilige, wiens naam het gilde draagt, een eigen altaar in de kerk en de maaltijden.

Graaf Floris V schonk op 1 juni 1271 een privilege aan de broederschap der kooplieden in Middelburg, waarbij zij verschillende voorrechten kregen. Onder andere om zelf verordeningen te maken betreffende het bestuur van hun gilde. De verkopers van vlees en zij "die vlees koken of braden om te verkopen" worden hierbij in het bijzonder genoemd. Het stadsbestuur van Den Bosch verleende op 9 mei 1327 een eigen keur aan de vleeshouwers. In 1380 vond het stadsbestuur van Maastricht het al nodig aan deze drang naar macht en invloed paal en perk te stellen en werd het verboden dat de vleeshouwers, 'die zeer rumoerig en welvarend waren';, bij het vleeshuis zouden samenscholen. De straffen waren niet mals. Een bedevaart naar een verafgelegen plaats, dikwijls Rome, was een heel gewone boetedoening.

Er waren afzonderlijke gilden voor vleeshouwers (runderslagers) en varkensslagers.`De spekverkopers waren ondergebracht bij de vettewariers (lieden die in oliën en vetten handelden, vergelijk kruiden-ier). De verkoop van 'afvallen'; viel buiten hun nering. Onder 'afvallen'; moeten de organen en ingewanden begrepen worden.

Zoals al vermeld oefenden zij in de steden hun beroep uit in gemeenschappelijke verkoopplaatsen (vleeshallen). Oorspronkelijk woonden zij ook in één straat of buurt in de omgeving van de vleeshal.

 

1) - Mijn bron, Het Handboek voor de Slager- 1965, spreekt van gilde. Mijns inziens kwam deze naam later in zwang en zou hier 'broederschap'; bedoeld zijn.