Een eeuw lang actief voor Hoorns erfgoed

Slagers van Hoorn

Vrijbankvlees

Het slachthuis omvatte ook een verkooplokaal. Hier werd vrijbank vlees verkocht, onder toezicht van de keuringsdienst. Dit vlees moest binnen 24 uur geconsumeerd zijn. Verkoop aan handelaren was dan ook verboden, alleen de consument kon er terecht. Omdat het vlees binnen een korte termijn verkocht en gegeten moest zijn, was de prijs dan ook laag, en ging er maximaal 3 kg. vlees per klant over de toonbank. Een gezin met meerdere kinderen wist altijd wel een manier te vinden om een veelvoud van het maximum van 3 kg. te bemachtigen. De slagers in Hoorn waren er niet echt blij mee. Zij redeneerden dat vlees óf goed is óf niet. Een tussenweg was volgens hen niet mogelijk. 

Waren de prijzen in het verkooplokaal laag, de kosten van het gebruik van het slachthuis hakten erin. Voor werkelijk alles moest worden betaald. Zo waren er keurgelden, slachtlonen, te betalen gelden voor koelen, voor gebruik van het verkooplokaal, voor vlees dat bestemd is voor uitvoer naar het buitenland, keuring van vlees uit andere keuringsdistricten, rechten op het gebruik van de sterilisator (van vlees of het smelten van vet). Verder moest er weegloon worden betaald, stalgeld, extra betaling voor toelating tot het koelhuis op andere dan geldende tijden, rechten voor nadere keuring (keuring na onderzoek van het slachtdier), verstrekken van een keuringsbewijs, gebruik kleedlokalen en gebruik van de slachthuisruimte incl. werkbanken. Waar het bedrijfsleven anno 2004 mee geconfronteerd wordt, was toen ook al gebruikelijk.

In 1961 schrijft de toenmalige directeur Veenstra een rapport over de wenselijkheid het slachthuis te vergroten en aan te passen. 

Aanpassing was nodig omdat de apparatuur nog uit 1931 stamde. Onder andere waren de stoomketel en het koelsysteem sterk verouderd. Daardoor vergde het veel manuren om het hele systeem draaiende te houden. De kosten werden begroot op ƒ 230.000,--

De motieven om te vergroten waren gelegen in het feit dat er steeds meer slachtingen nodig waren vanwege opkomst van vleeswarenbedrijven in en rond Hoorn. De naam wordt niet genoemd maar aangenomen mag worden dat hiermee Rein Groot, slager in Hoorn, werd bedoeld. Ook slachtingen voor export namen toe. De directeur voerde aan dat de ontwikkeling van het goederentransport een belangrijke stimulans zou zijn voor de verdere ontwikkeling van de export vanuit Hoorn. Hierin had hij wel gelijk, maar dit was tevens de achilleshiel. Want de toenemende transportmogelijkheden waren ook de reden dat er meer vlees ingevoerd kon worden vanuit slachtplaatsen elders in Nederland. Uiteindelijk was dit ook de reden dat het slachthuis niet meer rendabel was en per 1 januari 1990 werd gesloten. De gouden toekomst die de gebruikers zagen voor het vernieuwde slachthuis is er nooit gekomen.

De toename van het aantal slachtingen blijkt uit de volgende tabel:

Tabel 1 Aantal slachtingen 1935 - 1960

Jaar Totaal aantal slachtingen

Gezamenlijk
gewicht in
kg.

1935
1938
1941
1944
1947
1950
1953
1956
1957
1958
1959
1960

5482
6687
5165
7947
7669
15087
11090
14684
13440
15269
15362
16069

572.420
645.580
719.220
469.960
889.290
1.577.995
1.557.215
1.890.690
1.757.185
1.937.245
2.145.200
2.391.835

Uit bovenstaand overzicht blijkt dat, behalve in de oorlogstijd, het aantal slachtingen en dus ook het aantal kilo's vlees vrijwel constant is toegenomen. In 1960 is het ten opzichte van 1935 zelfs verdrievoudigd. Dat de omstandigheden dus niet meer toereikend waren, is hiermee wel aangetoond. 

In 1967 meldt het gemeentebestuur een exploitatieverlies van ƒ 26.840,-- onder andere verband houdende met de sluiting van de export als gevolg van een MKZ-crisis (Mond- en Klauwzeer). 

De Europese richtlijnen doen ook een duit in het zakje. Aanpassingen volgen elkaar snel op, zodat een bedrijf als het openbaar slachthuis continu de bouwkundige staat moet verbeteren om bij te kunnen blijven bij de wettelijke bepalingen. Behalve deze EEG eisen zijn ook de oplopende exploitatieverliezen en maatschappelijke ontwikkelingen debet aan de sluiting van het Openbaar Slachthuisbedrijf zoals de organisatie inmiddels heet. De maatschappelijke ontwikkelingen hielden in, dat het niet meer aanvaardbaar was dat een dergelijk bedrijf zich buiten een bedrijventerrein bevond. Men wilde andersoortige bedrijvigheid in het stationsgebied. 

Op 15 november 1988 valt het besluit dat per 1 januari 1990 de gebruikers van het slachthuis het terrein verlaten moeten hebben.