Meer dan een eeuw actief voor Hoorns erfgoed

Bekijk of download de PDF versie (7.46 MB - Opent in nieuw venster)


NB Alleen artikelen ouder dan een jaar zijn beschikbaar in het PDF formaat!
Download hier de gratis Acrobat PDF Reader.Bekijk ook: Auteursrechten

Kwartaalblad 2012 / 1   blz. 4 - 9

Adrianus Cyriacus Bleijs begenadigd bouwmeester

Auteur: Bleijs, Mar

Het is dit jaar honderd jaar geleden dat de architect Adrianus Cyriacus Bleijs overleed. Zijn wieg stond aan het ABC in het woonhuis van zijn grootouders van moederszijde in Hoorn. Zijn tekentalent werd al vroeg op de Stadstekenschool onderkend, maar uiteindelijk werd hij architect en vestigde hij zich in 1864 in Hoorn. Hij was een eigenzinnig mens en gebruikte verschillende bouwstijlen of een combinatie ervan. Mede daardoor duurde het enige tijd voordat er opdrachten genoteerd konden worden. Vanaf 1870 tot 1880 heeft Bleijs vele winkelpanden en huizen in Hoorn en omstreken ver- of nieuw gebouwd. Scholen, raadhuizen, kerken van zijn hand zijn op menige plek in Noord-Holland te bewonderen. Ook de H.H. Cyriacus- en Franciscuskerk aan het Grote Noord in Hoorn is van zijn hand. Bleijs overleed op 12 januari 1912 op 69-jarige leftijd in het “Liefdesgesticht” te Kerkdriel.Mar Bleijs, aangetrouwde achternicht van A. C. Bleijs, schreef een uitvoerig artikel over het leven en werk van de architect. Op de voorpagina van dit kwartaalblad ziet men een door Bleijs vervaardigde tekening van de H.H. Cyriacus- en Francicuskerk in Hoorn. Deze tekening vormde het titelblad van het feestalbum ter gelegenheid van zijn 25-jarig jubileum als bouwmeester.

Adrianus Cyriacus Bleijs begenadigd Hoorns architect (tekst artikel)

Adrianus Cyriacus Bleijs werd geboren op dinsdag 29 maart 1842 in Hoorn aan het ABC, in het huis van zijn grootouders van moederszijde. Hij werd vernoemd naar zijn grootvader Adrianus Bleijs (27-4-1795 Hoorn - 22-1-1876 Hoorn) en de Romeinse martelaar Cyriacus. Zoals gebruikelijk was in katholieke kringen werd hij dezelfde dag gedoopt in de R.-k. kapel aan de Korte Achterstraat 4. Adrianus blijft het enige kind van meestertimmerman Johannis Bleijs (8-9-1816 Hoorn - 21-4-1888 Hoorn) en Johanna Krijgsman (10-2-1818 Alkmaar - 1-7-1885 Hoorn). In 1846 kocht vader Johannis het pand aan het Grote Noord 40. Het achterhuis werd gebruikt als timmerwerkplaats en zo komt Adrianus al op jonge leeftijd met het vak in aanraking. Na zijn huwelijk met Bregitta Maria Witte (26-6-1844 Alkmaar - 25-2-1930 Vlijmen), op 17 november 1867 te Alkmaar, krijgt hij het huis aan de Grote Noord en blijft daar tot zijn vertrek naar Amsterdam in 1880 wonen.

Talent

Al op jonge leeftijd werd het talent van Adrianus zichtbaar en het was dan ook niet vreemd dat hij naar de Stadstekenschool ging. Aannemelijk is dat hij eerst de avondcursus handtekenen bij stadstekenmeester Vordeman gevolgd heeft. Vervolgens mocht je deelnemen aan de opleiding bouwkundig tekenen. Deze lessen werden gegeven door stadsachitect Bastiaan Blanken. Hoewel er geen gegevens van bekend zijn, werd Adrianus op 31 december 1856, zonder dat hij het toelatingsexamen hoefde af te leggen, toegelaten tot de nieuwe cursus wiskunde, gegeven door ingenieur Hendrik Linse.

Aannemelijk is dat hij al de opleiding bouwkunde volgde, anders was hij niet in aanmerking gekomen voor de cursus wiskunde. In 1857 werkte hij als opzichter bij de bouw van de door Blanken en Linse ontworpen gasfabriek in Hoorn. Na zijn opleiding in Hoorn vertrok Adrianus op 17 november 1859 naar Roermond om als leerling in het atelier van de beroemde architect P.J.H. Cuypers het vak te leren. Het was bekend dat om bij Cuypers te mogen werken je wel in zijn geest diende te denken. Dit bleek voor Adrianus niet haalbaar. Hij had een eigen visie op bouwkunde. De neogotiek, hoewel hij deze ook niet afwees, sprak hem het minste aan. Tijdens een ruzie, in juni 1861, tussen Cuypers en zijn beeldhouwers koos Adrianus partij voor de beeldhouwers en moest hij, net als de beeldhouwers, ook zijn excuses aanbieden, hetgeen hij weigerde. Zelfs vader Johannis reisde af naar Roermond om zijn zoon over te halen, maar Adrianus hield voet bij stuk en vertrok naar Antwerpen. Adrianus vond dat zijn opleiding bij Cuypers te kort schoot en de ruzie was een goed excuus om naar Antwerpen te vertrekken. Maar ook zijn bewondering voor docent Pieter Jan August Dens, de latere stadsarchitect van Antwerpen, zal van invloed geweest zijn. Op 4 oktober 1861 schreef hij zich in voor de wintercursus bouwkunde van het middelbaar onderwijs aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten te Antwerpen. Hij voelde zich met name aangesproken tot deze opleiding omdat deze alle aspecten en stijlen van de bouwkunde behandelde en architect Dens de docent van de cursus bouwkunde is.

Naast de wintercursussen kon men aansluitend daarop ook een zomercursus volgen. Adrianus schreef zich, na het afronden van de eerste cursus, op 9 mei 1862 in voor de zomercursus Bouwkunde. Vervolgens meldde hij zich op 6 oktober 1862 aan voor de wintercursus Bouwkunde. Hoogtepunt in het academische jaar was de examendag waarop men op de verschillende niveau's examen kon doen.
Al tijdens zijn studie behaalde Adrianus een succes toen in 1862 de Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst (MijBB) een prijsvraag uitschreef voor een ontwerp voor een museum. Adrianus stuurde een ontwerp in en behaalde de eerste prijs, een prijs van 250 gulden. Zijn latere lidmaatschap van de MijBB zou van grote invloed zijn op het werk en denken van Adrianus.
Aan het einde van de tweede wintercursus nam Adrianus op 3 april 1863 deel aan het examen bouwkunde van het middelbaar onderwijs. Het examen bestond uit twee ontwerpopdrachten waaruit een keuze gemaakt kon worden: het ontwerp van een groep huizen of een gebouw. Als je een snelle leerling was mocht je ook beide opdrachten uitwerken. Uit de uitslag blijkt dat Adrianus beide opdrachten uitvoerde en dit examen als beste aflegde.
Door de succesvolle deelname aan het examen voor het middelbaar onderwijs kon hij zich op 4 oktober 1863 inschrijven voor de wintercursus Bouwkunde in het Hoger Onderwijs. En ook tijdens deze cursus en het bijbehorende examen blonk hij uit en bleek hij een uitmuntend student. Voor het examen in het Hoger Onderwijs, op 30 maart 1864, lagen drie opdrachten klaar: een zaal voor een landbouwtentoonstelling, een bejaardenhuis met kapel voor twintig oude vrouwen en zeven zusters, in Neogotiek, of een brug met triomfboog met plein, groot genoeg voor een leger dat een overwinning viert.
Wederom leverde Adrianus drie ontwerpen in en behaalde voor de tentoonstellingszaal de eerste plaats, voor het oudevrouwenhuis en voor de brug met triomfboog en plein behaalde hij de tweede plaats. Dit maakte hem de beste student en hij ontving hiervoor de 'Premier Prix d'Excellence', de bekroning van zijn succesvolle studie in Antwerpen. Bleijs had zich hier meester gemaakt van het architectenvak en kon in iedere gewenste stijl een goed ontwerp leveren.

Terug in Hoorn

Adrianus keerde terug in Hoorn om zich daar in juli 1864 als architect te vestigen. Op 19 en 20 juli kon het publiek in de trouwzaal van het stadhuis zijn examenstukken bewonderen. Door deze tentoon te stellen wilde hij het publiek kennis laten maken met zijn kwaliteiten als architect. Maar hoewel hij zijn eerste opdracht, de bouw van een woonhuis aan de Turfhaven te Hoorn al binnen had, leverde de tentoonstelling niet veel nieuwe opdrachten op.
Slechts één andere opdracht volgde dat jaar: de verbouwing van Nieuwland 3 tot spreeklokaal.
Ondanks zijn kwaliteiten als architect was het begin moeizaam. Pas vanaf 1870 nam het aantal opdrachten per jaar toe. Doordat hij van alle markten thuis was, slaagde hij er in met opmerkelijke en vernieuwende ontwerpen op het gebied van woonhuis- en winkelarchitectuur een monopoliepositie te verwerven. Door deze groei kwamen ook de grote opdrachten binnen; zoals voor kerken en gasthuizen kon hij tekenaars in dienst nemen en kreeg hij leerlingen.
Vanaf 1870 tot 1880 heeft Bleijs zeker een stempel op Hoorn en de directe omgeving gedrukt. Hoewel er helaas niet veel meer van bewaard is gebleven, lieten veel winkeliers een nieuw pand bouwen of hun pui verbouwen en ook vele huizen werden verbouwd of nieuw gebouwd. Maar ook voor scholen, raadhuizen en begraafplaatsen kon je bij Bleijs terecht. Diverse kerken verrezen in het Noord-Hollandse landschap.

Visie

Bleijs was een vernieuwer en wars van bestaande ideeën over de bouwkunst. Hij koos een eigen richting waarbij hij gebruik maakte van diverse stijlen of een combinatie ervan. Hij wees het automatisme van het gebruiken van de Neogotiek als uitdrukkingsvorm voor kerkgebouwen af. Hij gebruikte enkele malen de Neoromaanse stijl voor kerken. Van de H.H. Cyriacus- en Franciscuskerk aan het Grote Noord te Hoorn doet de plattegrond aan de Barok denken en zijn in de details ook Romaanse, Oosterse en (Hollandse) Renaissance elementen terug te vinden. Het toepassen van een koepel hield verband met Bleijs' voorliefde voor het monumentale. Voor iedere opdracht maakte Bleijs meerdere schetsontwerpen in diverse stijlen en werkte deze uit tot in de kleinste details. De opdrachtgever kon zo een goed beeld verkrijgen, waarbij Bleijs de uiteindelijke keuze aan de opdrachtgever over liet. Toch bouwde Bleijs enkele keren neogotisch, maar dit was dan de wens van de opdrachtgever. Regelmatig werkte hij 'modulair' en hoefde een ontwerp niet volledig uitgevoerd te worden, maar ontwierp hij de basis zo dat later altijd de verfraaiingen aan een gebouw of inrichting nog toegevoegd konden worden. Als perfectionist was voor hem een gebouw pas af met passend meubilair en inrichting. Ook hierover had hij zijn eigen visie. Binnen de familie zijn diverse schetsboeken uit verschillende perioden aanwezig waarbij veel uitwerkingen te vinden zijn. Opmerkelijk is dat van met name het ontwerp voor de H.H. Cyriacus- en Franciscuskerk in Hoorn en de Nicolaaskerk in Amsterdam, vanaf zijn studietijd, lang voordat deze kerken daadwerkelijk gebouwd werden, schetsen aanwezig zijn. Kennelijk was dit zijn 'droomontwerp' dat hij ooit hoopte te realiseren. Maar ook voor deze grote projecten heeft hij meerdere schetsen in diverse stijlen gemaakt.
In zijn drang tot vernieuwing maakte Bleijs ook gebruik van nieuwe en bijzondere bouwmaterialen, zoals kunstzandsteen en de Oegstgeester dakpannen. Maar ook nieuwe technieken waaronder heteluchtverwarming schuwde hij niet. Hij ging hier mee door, zelfs toen dit regelmatig problemen veroorzaakte, zoals leveringen die te laat waren of kosten die aanmerkelijk hoger uitvielen dan begroot.

Medewerkers en uitvoerders

Hoewel hij bekend stond als een 'weinig plooibaar man' was zijn personeel hem zeer trouw. Jan Olthuis bijvoorbeeld, die naast tekenaar ook opzichter was, werkte bijna zijn hele werkzame leven voor Bleijs.
Ook was Olthuis diverse keren getuige bij de geboorteaangifte van één van de kinderen van Bleijs. Dit gold ook voor Johannes Franciscus Hendricus Pastoor en Johannes Moritz Lodewijk, die later ook mee verhuisde naar Amsterdam. Leerling Jan Stuyt bleef tot Bleijs zijn praktijk stopte in dienst en was diep geroerd tijdens de uitvaartdienst van Bleijs. Ook werkte Bleijs jarenlang met dezelfde opzichters hoewel deze niet bij hem in dienst waren. Jan Olthuis, Petrus Dirkse van Rhijn, Gerard Joan Rozee en Gerardus Petrus Bernardus Schermerwaren mensen waarmee Bleijs graag in zee ging. Anders was het met uitvoerders. Bleijs en uitvoerders konden moeilijk met elkaar door één deur. Dit had meestal te maken met de bouwkosten, die voor de aanbesteding meestal te laag werden ingeschat. Er is veel geschreven over ruzies metwisselende aannemers en uitvoerders tijdens de bouw die onherroepelijk vergaande consequenties hadden voor de bouwtijd en soms ook voor dekwaliteit. Naarmate de jaren vorderden ontstonden er soms ook problemen met opdrachtgevers en zijn uitlatingen over andere architecten werden hemveelal niet in dank afgenomen.

Amsterdam

Bleijs verhuisde in 1880 naar Amsterdam, waarbij diverse factoren meegespeeld kunnen hebben. De bouw van de Koepelkerk in Hoorn liep niethelemaal voorspoedig, de reistijd en gebrek aan vervoer braken hem op en er kwamen steeds meer opdrachten uit de hoofdstad binnen. In Hoorn liep het werk af en échte grote opdrachten hoefde hij daar niet meer te verwachten.
Tussen 1880 en 1898 kwamen de grotere opdrachten binnen waaronder tien kerken, scholen en diverse gasthuizen. Ook kreeg hij in de hoofdstad meer opdrachten tot nieuwbouw in plaats van verbouwingen en aanpassingen. In zijn Amsterdamse periode was Bleijs niet alleen actief met zijn praktijk. Hij trad, in 1890, toe als 2e secretaris in het bestuur van 'Architectura et Amicitiae' om vervolgens vice-voorzitter te worden. In 1896 werd hij lid van het bestuur van de 'Maatschappij tot Bevordering van de Bouwkunst'. Daar was hij actief als voorzitter van de examencommissie voor het bouwkundig opzichtersexamen. Verder is hij bestuurslid geweest van de kunstenaarsvereniging 'Arti en Amicitiae' en voorzitter van een Katholieke leesvereniging. Naast zijn verenigingswerk was hij van juli 1899 tot juli 1901 gemeenteraadslid van Amsterdam.

Familie

Er kan niet gezegd worden dat Bleijs een familieman was; daarvoor ging hij teveel op in zijn werk. De tijdgeest liet dat niet te, maar ook de afstanden die hij moest overbruggen bij opdrachtgevers en gebrek aan vervoer – de trein kwam pas in 1884 in Hoorn – droegen daar aan bij. Dit ging zover dat hij bij sommige geboorten van de kinderen niet aanwezig was. Grootvader Johannis en medewerkers namen dan vaak de honneurs waar om aangifte van geboorte te doen. Met name in zijn Hoornse periode was hij vooral bezig met zijn werk en met zich te vestigen als architect. Uit zijn huwelijk worden twaalf kinderen geboren, negen jongens en drie meisjes, waarvan er acht volwassen worden. Hoewel het in die jaren gebruikelijk was dat meerdere kinderen niet volwassen werden, ook bij de gegoede burgerij, heeft dit diepe sporen bij hem achtergelaten. Het is één van de redenen geweest waarom hij in 1903 abrupt stopte met zijn werk en zijn complete inventaris en ontwerpen op de veiling werden aangeboden. Vlak na de verhuizing naar Amsterdam stierf het jongste meisje, Cornelia, nog geen negen maanden oud. Een paar jaar later werden twee van de oudere jongens tegelijkertijd ziek. Het zou een onschuldige kinderziekte geweest zijn, welke is onbekend, maar in die tijd dodelijk. Coen en Frans werden in Hoorn bij hun grootouders ondergebracht om te voorkomen dat meerdere kinderen ziek werden, maar dat mocht niet baten. Beide jongens stierven binnen veertien dagen. Bleijs had de wens en hoop dat ooit zijn kinderen met hem wilden samenwerken en in zijn voetsporen zouden treden. Als snel bleek dat drie jongens, Jan, Adrianus en Alexander zijn talent hadden meegekregen en ze werden hierin gestimuleerd. Jan en Adrianus mochten gaan studeren in Antwerpen, maar verkozen de 'kunst' boven bouwkunde en werden kunstschilder. Tevergeefs probeerde Bleijs zijn zonen te betrekken bij zijn werk, ook al heeft Jan de kruiswegstatie voor de kerk in Assendelft gemaakt. Vanaf het moment dat Bleijs zich realiseerde datzowel Jan en Adrianus hem niet zouden opvolgen richtte hij zich volledig op Alexander. Toen Alexander in 1896 op 20-jarige leeftijd kwam te overlijden stortte zijn wereld in. Bleijs kwam deze klap nooit te boven en dit zorgde ervoor dat zijn werk bij gebrek aan inspiratie afnam tot hij uiteindelijk de beslissing nam om resoluut alles te veilen.

Het einde

Na het opheffen van zijn praktijk in 1903 vertrok Bleijs naar 's-Hertogenbosch. Hij kreeg een benoeming als inspecteur voor de volksgezondheiden was belast met de handhaving van wettelijke bepalingenmet betrekking tot de volkshuisvesting in Noord- Brabant, Gelderland en Limburg. Maar om gezondheidsredenen moest hij zijn functie al snel neerleggen. Bleijs bracht zijn laatste jaren rustig door in Kerkdriel waar hij op 12 januari 1912 in het 'Liefdesgesticht' op 69-jarige leeftijd overleed. Op

15 januari werd zijn lichaam per trein overgebracht naar Amsterdam waar in de Sint Nicolaaskerk de uitvaartdienst plaatsvond. Adrianus Cyriacus Bleijs werd begraven op het eveneens door hem ontworpen 'R.-k. Kerkhof met kapel 'Barbara de Liefde' te Amsterdam, een uiteinde zoals hij voor zichzelf bedacht had. Ondanks Bleijs' 'weinig plooibaar' karakter scheef leerling Jan Stuyt in zijn 'In Memoriam': "Met het verscheiden van den bouwmeester A.C. Bleijs is een persoonlijkheid uit ons midden verdwenen, die hoewel de laatste tijd niet zoozeer op den voorgrond tredend in bouwkundige kringen toch allerszins verdient dankbaar gememoreerd te worden. Dankbaar voor het vele dat hij in het algemene belang der schoonheid heeft teweeggebracht, dankbaar voor ter verfraaiing voor stad en land heeft tot stand gebracht. (-) Over zijnbouwwerken zal (-) de toekomst oordelen, wij die het voorrecht hebben gehad hem van nabij te kennen zullen het heengaan van Bouwmeester A.C. Bleijs betreuren en zijn nagedachtenis in eere houden".

Beeldbepalend

Bleijs' ontwerpen waren eigenzinnig en niet alledaags. Niet alleen in de jaren dat hij ze ontwierp maar ook vandaag de dag, honderd jaar na zijn dood, zijn ze nog uniek en vaak beeldbepalend. Kerken, die land- en zeemarkeringen zijn, zijn inmiddels Rijksmonumenten geworden en nog steeds onderwerp van gesprek, of worden als voorbeeld gesteld in vakbladen. Helaas is er ook veel verloren gegaan, kerken die de tand des tijds niet konden doorstaan en geofferd werden voor stadsvernieuwing of door de massale leegloop. Huizen, winkels, scholen en ziekenhuizen die niet meer voldeden aan de hedendaagse norm van wonen of wetgeving bestaan soms alleen nog op papier. Bleijs had ooit voor ogen iets te scheppen 'voor de eeuwigheid' en hoewel niets eeuwig kan zijn, zijn enkele van zijn bouwwerken een stukje op weg.


 

  Terug naar vorige pagina

 

Leden van de Vereniging Oud Hoorn ontvangen het Kwartaalblad op het huisadres. Losse nummers, voorzover voorradig, zijn verkrijgbaar gedurende de openingsuren van het Oost-Indisch Pakhuis.

Kwartaalbladen t/m 2000 prijs per stuk € 4,50
Kwartaalbladen 2001 tot nu, prijs voor leden € 4,50
Kwartaalbladen 2001 tot nu, prijs voor niet-leden € 6,00

Vrijwel alle kwartaalbladen zijn in te zien in ons archief in het Oud Hoorn verenigingsgebouw.
Kwartaalblad index 1979 t/m 2004, Arie van Zoonen
Samenvattingen 2002-2013, Frans Zack
Samenvattingen 2014-2019, Ben Leek
PDF versies 1979-2009 en database artikelen beeldbank, Gerard van Stijn