Meer dan een eeuw actief voor Hoorns erfgoed

Bekijk of download de PDF versie (8.19 MB - Opent in nieuw venster)


NB Alleen artikelen ouder dan een jaar zijn beschikbaar in het PDF formaat!
Download hier de gratis Acrobat PDF Reader.Bekijk ook: Auteursrechten

Kwartaalblad 1982 / 1   blz. 15 - 16

Ingezonden stuk 'Nieuwe Hoorsche Courant', 12-12-1916. (initiatief tot historische vereniging)

Auteur: Kerkmeijer, J.C.

De naam J.C. Kerkmeijer is in deze dagen niet van de lucht. En zeker niet in het verband van onze eigen Vereniging “Oud-Hoorn”. Hij was daar immers de oprichter van en het is zeker niet in het minst aan hem te danken en aan zijn wils- en werkkracht, dat deze vereniging tot zoveel in staat is gebleken.
Nu, na 65 jaar, lijkt het goed eens te lezen, wat Kerkmeijer in de Nieuwe Hoornsche Courant van 12 december 1916 heeft geschreven. Het is mede dit ingezonden stuk geweest, dat heeft geleid tot oprichting van “Oud-Hoorn”. Als u dit stuk gelezen heeft, dan zult moeten toegeven, dat er inderdaad niet nieuws onder de zon is.

Mijnheer de Redacteur!
Vergun mij voor het onderstaande eenige plaatsruimte in Uw blad, waarvoor bij voorbaat mijn dank.
Het is algemeen bekend, dat Hoorn rijk is geweest aan wat wij tegenwoordig “kunstwerken” zouden noemen. Deze rijkdom is reeds voor een groot deel verdwenen, maar enkele dingen zijn nog gespaard gebleven en dit weinige staat om ons heen, ons herinnerende aan den tijd van bloei, dien ons stadje heeft gehad; een bloei niet alleen van handel, maar ook van het handwerk.
De belangstelling in - het gevoel voor het vak was in die dagen als vanzelfsprekend. Zij waren de uitingen van een krachtige lichamelijke en geestelijke ontwikkeling; zij groeiden daaruit op als schoone bloemen aan een gezonde plant. Het geslacht dier dagen kon niet anders dan zich een daarmede overeenstemmende omgeving scheppen. Dit alles geschiedde zonder eenige pretentie, men werkte zooals men was.
Langzamerhand verwelkte deze bloei der geestelijke en lichamelijke capaciteiten. En daarmede ook daalde het peil der bouw- en sierkunst.
Het krachtige en toch innige gevoel voor kleur, vorm, verhouding en constructie verdween; er bleef in het eind niets over dan een oppervlakkig gepraat, een hol geredeneer, dat geen verband meer hield met het innerlijke leven. De versiering werd niets dan een aanhangsel der constructie - klatergoud om een voorwerp. Het vak, dat eertijds zoo hoog stond, kreeg in het laatst der 18e eeuw een nekslag door de opheffing der gilden.
Deze opheffing was een gevolg van de misstanden, die de tijdgeest met zich bracht. Er was overal een verlangen naar vrijheid, men wilde niet gebonden, niet beheerscht zijn.
Maar zij, die deze vrijheid predikten, vergaten, dat niet iedere persoonlijkheid de vrijheid kan dragen. De leuze klonk wel schoon, maar de toepassing faalde.
Vrijheid van arbeid - zij is alleen gerechtvaardigd in die maatschappij, waarin ieder begrijpen zal, dat hij een onderdeel is der gemeenschap, dat hij daarvoor met zijn beste en edelste vermogens werken moet. Maar daarvan staan wij nog verre af.
Wij moeten ons zelf en onze omgeving eerst weer opvoeden tot gevoelige menschen.
Wij moeten in ons aankweeken dat innige gevoel voor natuurschoon, dat samengaat met liefde voor al het mooie, dat door onze voorvaderen met zooveel piëteit is vervaardigd.
Dit is een zware taak in deze maatschappij, waarin de boventoon wordt gevoerd door een materieele opvatting, door een speculatieven geest die er niet tegen opziet, om het natuurschoon te doen verdwijnen en om het mooie oude onder moker en breekijzer te vernietigen.
Jacht naar geld, vrijheid van arbeid (d.w.z. losbandigheid die zóóver gaat, dat ieder maar aan den weg mag timmeren wat hij verkiest), deze beide doen een concurrentiegeest ontstaan, die de kanker is van de geheele samenleving.

Waarvóór moeten wij het oude met zooveel zorg bewaren en onderhouden?
Ik hoor menigeen zeggen: “de eischen veranderen met de tijden. Het oude kan niet behouden blijven - het moet plaats maken voor de behoeften van een jonger geslacht.”
Goed, daar kan ik mij volkomen mede vereenigen. Mits dit jongere geslacht het nieuwe schept van zulk een aard, dat het waardig naast het oude kan staan, ja zelfs, dat het met behulp der nieuwere inventies en middelen, het oude overtreft.
Onze vermeerderde kennis, onze wetenschappelijke ontwikkeling stellen ons daartoe in staat. Wij moeten streven in een richting, die eenheid breng in onze verstandelijke en geestelijke ontwikkeling.
Wanneer die eenheid, dat evenwicht, weer hersteld is, dan eerst is de eerste voorwaarde voor een goeden toestand vervuld.
Dàn eerst ontstaat weder de samenleving, waarin goed werk gevraagd wordt, omdat men met iets anders niet tevreden is, waarin de vakman zich beijvert om aan deze vraag te voldoen.
Wat baat het ons, of er gelegenheden tot stand komen, waar vaklieden zich kunnen bekwamen, wanneer de maatschappij niet naar deze ontwikkeling omziet?
Onze omgeving, die een afschuwelijke staalkaart vertoont van de meest uiteenlopende bouw- en gebruiksproducten, is een afspiegeling van den geest van den laatsten tijd. Het oude moet ons leeren. Op de schouders van het oude moet het nieuwe staan.
Wij moeten het oude weer met belangstelling leeren aanzien, bestudeeren. Wij moeten onderzoeken, welke eigenschappen het zijn, die het oude zoo mooi, zoo bruikbaar, zoo gevoelig, zoo solide maakten. Opdat wij deze eigenschappen in het nieuwe leeren toepassen, zodoende komend tot een eigen jonge kernachtige uiting van volkswil en volkskarakter.

Daarom is bij mij de vraag opgekomen: kan er niets gedaan worden om het oude dat nog over is, te beschermen, te sparen?
Hiervoor doe ik een beroep op ieder, die hieraan zijn medewerking wil verleenen.
Van ganscher harte hoop ik, dat dit zeer velen zullen zijn, opdat wij kunnen komen tot het constitueeren van een lichaam, dat zich ten doel stelt, om de enkele mooie, oude overblijfselen in onze stad en in onze omgeving in stand te houden.
De regeering zoowel van stad als land, heeft een goed voorbeeld gegeven door hare gebouwen in een goeden toestand te brengen. Laat ons dit volgen, door hetzelfde te doen met de enkele parculiere gebouwen, die door hunne aantrekkelijkheid daarvoor in aanmerking komen. Ik acht het van het grootste opvoedkundige belang, om die enkelingen te behouden en zoveel mogelijk in hun ouden luister te herstellen.

Al wordt dit belang op het oogenblik misschien niet in het algemeen ingezien een later geslacht zal er ons dankbaar voor zijn, dat wij in deze ellendige tijden nog een open oog behielden voor de geestelijke schatten, die gevaar liepen in den algemeenen vernielingspoel onder te gaan.
Zij, die hiervoor gevoelen, willen mij zeker wel als bewijs van sympathie hun naamkaartje met adres toezenden.
Hoe spoediger, hoe liever.

J.C. KERKMEIJER

 

  Terug naar vorige pagina

 

Leden van de Vereniging Oud Hoorn ontvangen het Kwartaalblad op het huisadres. Losse nummers, voorzover voorradig, zijn verkrijgbaar gedurende de openingsuren van het Oost-Indisch Pakhuis.

Kwartaalbladen t/m 2000 prijs per stuk € 4,50
Kwartaalbladen 2001 tot nu, prijs voor leden € 4,50
Kwartaalbladen 2001 tot nu, prijs voor niet-leden € 6,00

Vrijwel alle kwartaalbladen zijn in te zien in ons archief in het Oud Hoorn verenigingsgebouw.
Kwartaalblad index 1979 t/m 2004, Arie van Zoonen
Samenvattingen 2002-2013, Frans Zack
Samenvattingen 2014-2020, Ben Leek
PDF versies 1979-2009 en database artikelen beeldbank, Gerard van Stijn