Een eeuw lang actief voor Hoorns erfgoed

Hoorn en het binnenwater Jubileumnummer Kwartaalblad 2003 / 5

Ontstaan - De situatie in West-Friesland Pagina 2

Het ontstaan van Hoorn kan niet los worden gezien van haar omgeving, haar voor- en achterland: de Zuiderzee en West-Friesland. Over 'Hoorn en de Zee' is onlangs een fraai boek verschenen (Muller, 2002). In dit artikel is de aandacht, behalve op Hoorn zelf, gericht op het achterland van Hoorn: West-Friesland, vooral op het zgn. binnenwater van West-Friesland. Met 'binnenwater' wordt het water binnen de Westfriese Omringdijk bedoeld. De Zuiderzee is het buitenwater.

West-Friesland binnen de Westfriese Omringdijk
Figuur 2. West-Friesland binnen de Westfriese Omringdijk

West-Friesland is vanaf ca. 3000 vóór Chr., met onderbrekingen, bewoond gebied geweest. In de Midden en Late Bronstijd (1350-800 vóór Chr.) was oostelijk West-Friesland zelfs vrij dicht bewoond. Woltering (1985) schat de bevolkingsdichtheid in oostelijk West-Friesland aan het eind van de Midden-Bronstijd op 11,2 personen per km2. De prehistorische bewoning is rond 800 vóór Chr. tot een einde gekomen, en vanaf die tijd tot ongeveer 800 na Chr. is West-Friesland onbewoond gebied geweest. Het was er te moerassig voor bewoning. In die lange periode van rond 1600 jaar is West-Friesland, evenals overig Noord-Holland, bedekt geraakt met een veenlaag van vermoedelijk wel vier meter dik. Het veen strekte zich uit tot ver buiten de grenzen van het huidige West-Friesland. Het bedekte heel Noord en Zuid-Holland en een deel van het Zuiderzeegebied. Rond 800 na Chr. zijn vanuit de omgeving van Medemblik, dat toen al bestond, en vanaf de zandgronden langs de kust mensen het veengebied ingetrokken en hebben het ontgonnen en in cultuur gebracht. De ontginning heeft vooral plaatsgehad in de eeuwen tussen 1000 en 1200 AD. De ontginning bestond uit drainage en ontwatering van het veenmoeras door het graven van sloten. Het veen had vermoedelijk al een natuurlijke ontwatering via kleinere en grotere riviertjes die van en tussen zogenaamde veenbulten, -kussens of -koepels naar zee stroomden. Het veenoppervlak was namelijk niet vlak maar enigszins geaccidenteerd, met hoogteverschillen van maximaal 1 à 2 m. De gegraven sloten liet men zoveel mogelijk aansluiten bij de van nature aanwezige veenriviertjes en -stroompjes.

De ontginning van het veen en het agrarisch gebruik van het veenland hadden een onvoorzien gevolg, namelijk daling van het bodemoppervlak of maaiveld door inklinking en oxidatie van het veen. Veen bestaat voor 90% uit water. Daardoor slinkt veen aanzienlijk bij ontwatering. Een ander gevolg van de verlaging van de grondwaterspiegel was, dat het veen in contact kwam met lucht, mede geholpen door de grondbewerking. Hierdoor verbrandde het veen als het ware langzaam. Bij deze zgn. oxidatie werd het veen omgezet in water en koolzuurgas (CO2), dat in de atmosfeer verdween. Door de inklinking en oxidatie van het veen kwam het oppervlak van het veen geleidelijk steeds lager te liggen. Dit is doorgegaan tot het veen helemaal was verdwenen. Er zijn nu nog slechts spaarzame sporen van het veen terug te vinden, zoals in de Veenhoop, aan de westkant van Hoorn. De Veenhoop is het zuidwestelijke deel van Drechterland. Het omvat de polders Westerkogge, Beschoot en Beetskoog, globaal het gebied tussen de Baarsdorpermeer in het noorden en de Korsloot tussen Beets en Schardam in het zuiden. Er is in West-Friesland ook wel veen afgegraven als turf (o.a. Spanbroek, 1481), maar, voor zover bekend, is dat niet op grote schaal gebeurd.

Door het verdwijnen van het veen is het bodemoppervlak, dat eerst ruim bóven zeeniveau lag, beneden de zeespiegel komen te liggen, met alle gevolgen vandien. Rond 1200 AD, misschien al eerder, was zoveel veen verdwenen, dat het land bedreigd werd door overstromingen tijdens stormvloeden op de zich uitbreidende Zuiderzee (toen nog Almere geheten). Om die reden is men begonnen met het bouwen van dijken, en omstreeks 1250 AD lag er een dijk om heel West-Friesland, de Westfriese Omringdijk (fig. 2). De dijk diende uiteraard om het binnenland te beschermen tegen overstroming door het buitenwater, met name de Zuiderzee. Maar, om te voorkomen, dat het bedijkte land onderliep door regenwater, moest het water uit het binnenland worden afgevoerd en geloosd op het buitenwater. Dat gebeurde via de toen nog steeds bestaande veenstroompjes en/of via gegraven waterlopen. In de dijk moesten doorgangen worden opengehouden ter plaatse van de uitmonding van de veenstroompjes of gegraven waterlopen. Deze doorgangen werden uitgevoerd in de vorm van uitwateringssluizen. Deze sluizen waren zo geconstrueerd, dat tijdens eb op de Zuiderzee de sluis openging en het binnenwater kon wegstromen naar zee en tijdens vloed de sluis dichtging om het zeewater tegen te houden. De sluizen waren dus primair bedoeld voor de waterlozing op zee. Vaak hadden ze de vorm van een koker in de dijk met een klep of schuif erin, een duikersluis (zgn. klepduiker). De dijk was niet alleen een belemmering voor de afwatering, maar ook voor de scheepvaart. Daarom werden uitwateringssluizen ook wel uitgevoerd als open sluizen, waardoor schepen konden passeren. Dit kon echter alleen tijdens de zgn. kentering van het getij, als het binnen- en buitenwater even hoog stond, dus maar enkele korte perioden per dag. De uitwateringssluizen waren geen schutsluizen. Volgens Arends (1994) dateren de eerste schutsluizen in Nederland vermoedelijk uit de tweede helft van de 13e eeuw, maar algemeen waren ze toen zeker nog niet. Men bouwde wel zgn. overhalen of overtooms. Dat waren inrichtingen, waarmee schuiten en kleinere schepen over de dijk konden worden gezet. Tot in de jaren '50 van de 20e eeuw heeft een dergelijke overhaal bestaan over de ringdijk van de Beemster bij Avenhorn (fig. 3).