Een eeuw lang actief voor Hoorns erfgoed

Hoorn en het binnenwater Jubileumnummer Kwartaalblad 2003 / 5

Ontstaan Pagina 3

Men is het er volgens Boon (1991) over eens, dat rond 1250 AD de dijkring om West-Friesland werd gesloten. De eerste vermelding van de gehele Omringdijk dateert uit 1320. In dat jaar is in opdracht van graaf Willem III een geschrift opgesteld, waarin het verloop van de dijk in detail wordt beschreven inclusief de lengte van de verschillende dijkvakken. Dit geschrift uit 1320 staat bekend als de 'Uitspraak van den Bisschop van Zuden' (Beenakker, 1988). Volgens Beenakker (1988) lag de Westfriese Omringdijk vóór het midden van de 14e eeuw definitief op zijn huidige plaats. Boon (1991) is het daar niet mee eens. Aan het slot van een gedetailleerde bespreking van het voorland en de inlaagdijken langs het dijkgedeelte Aartswoud-Medemblik-Enkhuizen-Hoorn-Schardam trekt Boon de conclusie, dat in het begin van de 16e eeuw de laatste inlagen plaatsvonden en de Westfriese Omringdijk haar huidige vorm kreeg. In de periode tussen 1300 en 1500 is volgens Boon een grote oppervlakte oorspronkelijk buitendijks gelegen land en buitengedijkt voorland verloren gegaan. Boon schrijft: "Waar men nu het water van het Hoornse Hop vindt, was omstreeks 1300 vooral land. Mogelijk in meerdere fasen werd de dijk teruggelegd tot haar huidige positie." Saaltink (1980) geeft een schets van de mogelijke ligging van de dijk in verschillende tijden. Het Grote Oost en het West in Hoorn zijn dus vermoedelijk delen van zgn. inlaagdijken. Toch lag Hoorn in 1352 niet ver van zee volgens Borger (1978) en bood de monding van de sluiswatering ter plaatse een veilige ligplaats voor zeewaardige schepen. Wel zal er in die tijd veel buitendijks voorland voor de zeedijk hebben gelegen. Mogelijk heeft ten zuiden van Hoorn een dorp gelegen, dat in zee is verdwenen, het dorpje Dampten. In oude archiefstukken, zoals grafelijke rekeningen uit 1311, 1335, 1343/44, komt een dorp Dampten op die plaats echter niet voor.

Een van de oudste vermeldingen van Hoorn in historische bronnen is die als banne 'Horne' in een rekening uit 1311 van door de baljuw van Medemblik geïnde boeten (de Bruin, 1997). Uit de eerder genoemde opgraving op de lokatie 'Winston' is gebleken, dat de oudste bewoningssporen op die plek al dateren van ruim vóór 1300, en wel uit het begin van de 13e eeuw (van de Walle-van der Woude, 2002). Gezien deze datering is het niet uitgesloten, dat de oudste bewoningssporen stammen uit de tijd vóór de aanleg of sluiting van de Westfriese Omringdijk, of uit een tijd, toen de Westfriese Omringdijk (als voorloper van de latere inlaagdijk die we kennen als Grote Oost en West) verder zuidelijk lag. Dit zou kunnen betekenen, dat Hoorn is ontstaan als een boerendorp, op enige afstand van de (toenmalige) kust, of dat er op de lokatie van Hoorn eerst een boerendorp heeft gelegen. Als deze veronderstelling juist is, bestond er in de tijd van de eerste bewoning in het begin van de 13e eeuw nog geen sluis in de monding van een waterloop ter plaatse van de Rode Steen, en is die later gebouwd. Een vroegere, meer zuidelijke (zeewaartse) ligging van Hoorn, zoals het geval is geweest met Enkhuizen (de Bruin, 1997), moet ook niet voetstoots worden uitgesloten. Daar zijn echter op dit moment geen andere gronden voor aan te voeren dan het feit, dat het Grote Oost en het West zeer waarschijnlijk inlaagdijken zijn, en de "Uitspraak van de bisschop van Zuden" uit 1320 waarin sprake is van een dijkvak lopende van Schellinkhout 'toter niewer sluse toe te Hoirne bizuden (= ten zuiden van) dorp'.

De boven beschreven vorm van afwatering bij eb was alleen mogelijk, zolang het land binnen de dijk nog boven gemiddeld laag water lag. Het land bleef echter zakken en kwam uiteindelijk benéden gemiddeld laag water te liggen. Toen werd bemaling noodzakelijk. Dat moment werd bereikt in de 15e eeuw. Door de bemaling werd het gebied dieper ontwaterd dan voorheen, waardoor de bodemdaling nog werd versneld. Zo hebben we ons in West-Nederland omlaaggewerkt tot beneden de zeespiegel. Een verhaal apart zijn de nog lager gelegen droogmakerijen, zoals de Schermer en de Beemster. Dat zijn drooggemalen meren in het midden-Noordhollandse veengebied.


Aanwijzingen voor de veenbedekking van West-Friesland

Voor de lezers die zich afvragen, hoe we zo zeker weten, dat West-Friesland ooit bedekt is geweest met veen, worden hier de aanwijzingen voor een veenbedekking kort besproken. Tegenwoordig bestaat de bovenste laag van de bodem van West-Friesland uit zeeklei en zeezand. Deze zee-afzettingen zijn gevormd in de periode tussen 1500 en 1000 vóór Chr., toen er in West-Friesland een waddenzee lag. In de oudere geologische vakliteratuur worden ze aangeduid met de naam Westfriese Afzettingen II (thans Duinkerke 0 genoemd). Rond 1000 vóór Chr. heeft de zee zich teruggetrokken uit West-Friesland en is het gebied drooggevallen. Lange tijd heeft men gemeend, dat de Westfriese Afzettingen II vanaf hun vorming tot op de dag van vandaag steeds aan de oppervlakte hebben gelegen. De eerste die daarover een andere mening naar voren bracht, was T. Edelman. Hij stelde in 1958 in een geruchtmakend artikel, dat zich in West-Friesland, na de vorming van de Westfriese Afzettingen II, een fase met veengroei heeft voorgedaan, waarin zich een enkele meters dikke veenlaag heeft gevormd op de klei. Maar al in 1946, als zij het hebben over het uitspreiden van slootbagger over het land tijdens de ontginning van de polder 'Het Grootslag', schrijven Noordeloos en Morsink: "Daarbij werd de zich onder de jongere veenlaag bevindende klei boven op het veen van het land geschoten." Aanvankelijk werd deze zienswijze nogal sceptisch ontvangen. Zo schrijven Pons en Wiggers in hun veel geciteerde artikel uit 1960 over de wordingsgeschiedenis van Noord-Holland en het Zuiderzeegebied: "Naar onze mening is op het kleigebied van Westfriesland geen veen gevormd." Thans gaat men er algemeen vanuit, dat West-Friesland, evenals de rest van West-Nederland, inderdaad met veen bedekt is geweest, hoewel er op het eerste gezicht weinig is, dat daar nu nog op wijst. Opvallend is, dat Zagwijn (Rijks Geologische Dienst) nog tot 1991 een slag om de arm houdt en spreekt van 'plaatselijk veenvorming' op de Westfriese Afzettingen II in de periode van 1250 v.Chr. tot 700 na Chr., terwijl hij voor andere delen van Noord-Holland in die periode zonder terughoudendheid spreekt van 'laagveengebied' en 'hoogveengebied'. De aanwijzingen en argumenten voor een vroegere veenbedekking van West-Friesland kunnen als volgt kort worden samengevat:
- de aanwezigheid heden-ten-dage van veen aan de oppervlakte in een klein deel van West-Friesland, met name in een klein gebiedje ten westen van Hoorn, dat behoort tot de Veenhoop. De Veenhoop is grondig bestudeerd door de historisch-geograaf Borger en wordt gedetailleerd beschreven in diens proefschrift uit 1975. We moeten wél bedenken, dat de Westfriese Afzettingen II niét voorkomen in de Veenhoop. Aanwijzingen voor veengroei in dit gebied hebben dus geen directe bewijskracht m.b.t. de aanwezigheid van een veendek op de Westfriese Afzettingen II in het midden en oosten van West-Friesland.
- de aanwezigheid van samengeperst veen onder gebouwen en bouwwerken (kerken, boerderijen, gemeentehuizen e.d.); dus niet het veen dat eventueel als ophogingsmateriaal is gebruikt (verhoogde hemen, terpen), hoewel dat natuurlijk ook wijst op de aanwezigheid van veen in de naaste omgeving
- de aanwezigheid van samengeperst veen onder dijklichamen; de oudste dijken bestaan zelf ook uit opgeworpen veengrond
- het voorkomen van zgn. 'daliegaten' , waaruit kalkrijke klei werd gewonnen om over de zure veengrond uit te spreiden
- akkerbouw in de 12e-13e eeuw in West-Friesland; dit vereiste relatief hooggelegen en droge grond; vanaf de 14e eeuw moest de akkerbouw worden opgegeven vanwege de daling van het veenoppervlak en ging men over op veehouderij
- de mogelijkheid om in de 11e-13e eeuw het gebied te ontginnen en te bewonen zonder dijken; dit duidt op een relatief hoge ligging van het land
- een verkavelingspatroon dat kenmerkend is voor veenontginningsgebieden (opstrekkende verkaveling)
- veel plaatsnamen met het bestanddeel 'woud' of 'broek'
- de aanwezigheid van vroegere veenstroompjes in het gebied
- historische bronnen, waarin wordt gesproken over veenland
- berichten over moernering of daringdelven t.b.v. de zoutwinning uit veen; in westelijk West-Friesland komen veel asplekken voor die hiermee samenhangen (Komen, 2002)
- het ontbreken van zgn. mariene afzettingen (zeeklei) jonger dan 1000 v. Chr. in oostelijk West-Friesland; door veengroei was het gebied boven de zeespiegel komen te liggen; het gebied lag echter sowieso al relatief hoog na de vorming van de Westfriese Afzettingen II, de zandbanen tot 0.1 m -NAP en de kleirijkere gronden oorspronkelijk nog hoger.