Een eeuw lang actief voor Hoorns erfgoed

Hoorn en het binnenwater Jubileumnummer Kwartaalblad 2003 / 5

Ontstaan Pagina 4

Het voorgaande betreft vooral oostelijk en midden West-Friesland. Beenakker (1988) heeft aangetoond, dat ook het westelijk deel van West-Friesland onder een aaneengesloten veendek heeft gelegen. De aanwijzingen voor een vroegere veenbedekking zijn deels plaatselijk en worden deels aangetroffen in het deel van West-Friesland buiten het verbreidingsgebied van de Westfriese Afzettingen II. Bij elkaar genomen zijn de aanwijzingen en argumenten overtuigend. Toch blijft het verbazen, dat in historische bronnen zo weinig is overgeleverd van het bestaan van een dik en uitgestrekt pakket veen in West-Friesland, en dat dit pas de afgelopen veertig jaar vrij moeizaam aan het licht is gebracht.
Een open vraag is, tot wanneer er resten van het veendek aanwezig zijn geweest in West-Friesland binnen het verbreidingsgebied van de Westfriese Afzettingen. Voor de Veenhoop, ten westen van Hoorn, is dat wel duidelijk: tot op de dag van vandaag. Maar dat deel van West-Friesland ligt, zoals boven al gezegd, buiten het verbreidingsgebied van de Westfriese Afzettingen II. Wanneer is het laatste veen in de rest van West-Friesland verdwenen? Al vóór de aanleg van de Westfriese Omringdijk of pas (veel) later? Borger (1975) en Beenakker (1988) zijn van mening: later.

satelietfoto Hoorn en omgeving
Klik op het plaatje voor vergroting


Satellietopname van Hoorn en omgeving (Bron: ESA-NLR)


De afwatering van het Westfriese veengebied vóór en tijdens de ontginning

In verband met de vragen die in de inleiding aan de orde zijn gesteld over de Tocht, is het van belang om ons te verdiepen in de afwatering van het Westfriese veengebied vóór en tijdens de ontginning. Het gaat daarbij om de oorsprong van de Tocht (riviertje of gegraven), de grootte van het afwateringsgebied en de hoeveelheid water die door de Tocht werd afgevoerd. Ruimer gesteld gaat het erom, enigszins een beeld te krijgen van het natuurlijk milieu in West-Friesland, en de veranderingen daarin in de 10e tot 15e eeuw, de periode waarin het veen uit West-Friesland is verdwenen.
Eerst wat algemene informatie over veen en de waterhuishouding van een veengebied. Veen bestaat uit afgestorven maar onverteerde plantenresten. Het bevat veel water. Voor veengroei zijn vooral natte omstandigheden gunstig. Biologen onderscheiden twee soorten veen: laagveen en hoogveen. Laagveen kan bij het dikker worden van het veendek overgaan in hoogveen. Laagveen groeit op grondwater. Dat is rijk aan voedingsstoffen voor de plant. Laagveen bestaat uit resten van diverse plantensoorten. Hoogveen groeit op regenwater. Regenwater bevat geen of heel weinig voedingsstoffen voor de plant. Hoogveen bestaat grotendeels uit veenmos (sphagnum). Veenmos heeft twee bijzondere eigenschappen. Het kan regenwater vasthouden en zo een nat milieu in stand houden, en het kan leven in extreem voedselarme omstandigheden. Een groeiend hoogveen heeft geen egaal oppervlak, maar vertoont hogere en lagere delen, zgn. bulten en slenken. Deze zgn. microtopografie verandert voortdurend door verschillen in ruimte en tijd van de groeisnelheid van het veenmos. Op grotere schaal beschouwd heeft hoogveen een min of meer gewelfde vorm (veenkoepels). Een hoogveen steekt boven zijn omgeving uit. Het centrale gedeelte van een hoogveen helt flauw af naar de randen. De randgedeelten zelf zijn doorgaans steiler dan het midden (fig. 4). Vanwege hun vorm en vanwege het feit, dat hoogvenen voornamelijk uit water bestaan, worden hoogvenen ook wel 'grondwaterheuvels' genoemd. Men onderscheidt verschillende typen hoogveen. Wat ons hier vooral interesseert, is de natuurlijke afwatering van hoogveen. Hoe raakt een levend en groeiend hoogveen een teveel aan regenwater kwijt?

veendoorsnede
Figuur 4. Schematische dwarsdoorsnede door een hoogveen, type 'Plateauhochmoor'. 'Kolk' = meertje, 'Rülle' = geultje. Bron: Overbeck, 1975. Bij 'Planhochmoore' ontbreekt de steile randhelling en de 'Randsumpf' of 'lagg'.

Uit recent onderzoek is gebleken, dat de natuurlijke afwatering van levend hoogveen grotendeels (ondiep) ondergronds verloopt, en wel via de zgn. 'acrotelm' (Ingram, 1978). Dat is de bovenste ca. 30 cm van het veen. Deze bovenste laag bestaat uit levende veenmosplantjes en de wortels daarvan. Onder de 'acrotelm' ligt de veel dikkere 'catotelm'. Dat is het deel van het veenpakket dat bestaat uit afgestorven plantenresten. De 'acrotelm' heeft een losse, open structuur en is daardoor goed doorlatend voor water. De 'catotelm' is veel compacter en minder goed doorlatend voor water dan de 'acrotelm'. De grondwaterspiegel in een levend hoogveen bevindt zich in de 'acrotelm' en daalt nooit tot in de 'catotelm'. Via de 'acrotelm' kan een teveel aan water snel zijdelings wegstromen naar de rand van het hoogveen. De 'acrotelm', de levende veenmoslaag, vervult dus een cruciale rol in de waterhuishouding van een groeiend hoogveen. Van der Schaaf (1999) heeft met succes het concept van 'acrotelm' en 'catotelm' toegepast bij de hydrologische analyse van twee hoogvenen in Ierland, 'Raheenmore Bog' (130 ha) en 'Clara Bog' (460 ha). Er komen geen rivieren in deze twee 'bogs' voor. Er zijn wel aanwijzingen, dat bij stijgende afvoer een deel van het water door slenken afstroomt. Dat duidt erop, dat de 'acrotelm' niet onder alle omstandigheden al het water kan doorlaten dat moet worden afgevoerd, en dat de grondwaterspiegel soms stijgt tot aan het oppervlak van het veen. Dit doet zich met name voor in de randzone van grote hoogvenen. Daar bevinden zich zgn. 'Rüllen', ondiepe waterloopjes die zich naar de randen van een hoogveen, op een afstand in de orde van 5 km van het centrum van een hoogveen, enigszins kunnen insnijden (van der Schaaf, pers. mededeling). Drainage door een geïntegreerd, permanent rivierstelsel met daarbij behorende dalinsnijdingen is niet te verenigen met het bestaan van een 'grondwaterheuvel', wat een levend hoogveen is.
Behalve 'Rüllen' komen er in hoogvenen regelmatig meertjes voor in de lagere delen van het hobbelige veenoppervlak. Rondom sommige hoogvenen ligt een zgn. 'lagg'. Dat is een natuurlijke 'ringsloot', waarin zich het water verzamelt dat van het hoogveen afkomstig is. Volgens Overbeck (1975) ontbreekt een 'lagg' en een steile randhelling in het hoogveentype, waarmee we in West-Nederland te maken hebben gehad, het zgn. 'Planhochmoor'. 'Planhochmoore' zijn zeer uitgestrekte hoogvenen. Er komen vaak meertjes in voor en 'Rüllen' zijn niet zeldzaam in dit hoogveentype. Erosiegeulen ontbreken echter.