Een eeuw lang actief voor Hoorns erfgoed

Hoorn en het binnenwater Jubileumnummer Kwartaalblad 2003 / 5

Ontstaan Pagina 7

Het ontstaan van Hoorn volgens Velius

Tot zover een algemene schets van de gebeurtenissen in West-Friesland als achtergrond van het ontstaan van Hoorn. Wat is de concrete toedracht geweest in Hoorn? Geschreven berichten van tijdgenoten-ooggetuigen uit de eerste jaren van het bestaan van Hoorn zijn er niet (meer). Het is de vraag, of ze er ooit zijn geweest, en later verloren zijn gegaan. Tot voor enige tijd was de oudst bekende en thans nog bestaande schriftelijke bron, waarin wordt gesproken over het ontstaan van Hoorn, de "Kroniek van de Stad van Hoorn" door Theodorus Velius (1572-1630) uit 1604, herdrukt in 1617, 1648 en 1740. Van de eerste druk uit 1604 is in 1979 een facsimilé-herdruk verschenen. De vierde druk uit 1740 is voorzien van talrijke 'Aantekeningen' van de hand van Sebastiaan Centen. De passages uit het werk van Velius die in dit artikel worden geciteerd, zijn afkomstig uit de vierde druk. Velius zegt zijn kroniek tot het jaar 1560 te baseren op oudere schriftelijke bronnen, die hij aanduidt als 'oude boekskens', zonder daarvan een nadere omschrijving te geven.

De kaart van Hoorn en omgeving van Jacob van Deventer uit 1560
Figuur 7. De kaart van Hoorn en omgeving van Jacob van Deventer uit 1560. Enkele benamingen zijn toegevoegd. Bij de viersprong aan het eind van de Holenweg lag (en ligt) het uitwateringspunt van de Oosterpolder. Een buitendijks watertje liep vandaar naar zee. Op dat punt, aan het eind van de Holenweg, ligt nu nog het gemaal Oosterpolder. De (huidige) Holenweg vormde de grens tussen de bannen Hoorn en Westerblokker (Westfries Archief)

Onlangs hebben Van der Knaap en Veerkamp (1996) een oudere kroniek van Hoorn onder de aandacht gebracht, nl. het in het Nederlands geschreven geschrift "Origo Civitatis Hornensis" (Oorsprong van de stad Hoorn). Van der Knaap en Veerkamp melden, dat Velius kwistig gebruik heeft gemaakt van dit geschrift. Het omvat de jaren 1316 tot 1536. De auteur ervan is niet bekend. Het is waarschijnlijk geschreven in de jaren tussen 1519 en 1536. De "Origo" is tot ons gekomen in de vorm van een copie van de hand van Jan Buyes uit 1602 of daaromtrent. Deze copie is al jaren geleden ontdekt, maar de "Origo" heeft tot voor kort niet de aandacht gekregen die het verdient. De "Origo", op zijn beurt, lijkt een uittreksel te zijn uit een veel omvangrijker manuscript in het Latijn met de titel "Chronicon monasterii Hoernensis et Comitum Hollandiae". In de "Origo" komen geen andere feiten over het ontstaan van Hoorn naar voren dan die, welke in de kroniek van Velius worden vermeld.

Omdat niet iedereen de kroniek van Velius zal bezitten en het boek bovendien moeilijk leesbaar is, vanwege de taal en het lettertype waarin het is gedrukt, volgt hier een gedetailleerde samenvatting van de tekst van Velius, voor zover deze betrekking heeft op het ontstaan van Hoorn. Nogmaals voor de duidelijkheid: de tekst van Velius dateert uit 1617. De vierde druk uit 1740, waaruit in dit artikel steeds wordt geciteerd, bevat de tekst van Velius uit 1617, met daarnaast een groot aantal 'Aantekeningen' van de hand van Sebastiaan Centen die zijn geschreven in 1740. Velius schetst ons het volgende beeld op pp. 1-9 van zijn kroniek:

West-Friesland had enkele eeuwen vóór de tijd, waarin Velius zijn kroniek schrijft, nog geen steden, maar alleen dorpen en kleine buurten. De dorpelingen leefden van het land en, hoewel het land vruchtbaar was en dicht bewoond, waren ze te arm om steden te kunnen onderhouden. Velius schrijft hun armelijke omstandigheden toe aan het ontbreken van wetten en regels, aan de vrijwel jaarlijkse overstroming van het land door grote watervloeden en aan de vele oorlogen waarin zij voortdurend verwikkeld waren. In 1288 werden de Westfriezen onderworpen door Floris V. In dat jaar werd ook het land pas bedijkt zoals het nu (d.i. in de tijd van Velius) is en werden er veel nieuwe wegen aangelegd om makkelijker van de ene kogge in de andere te kunnen komen. Eenmaal deel van Holland, nam de rust en welvaart van Westfriesland toe en begon men zich bezig te houden met de handel in zuivelproducten, eerst alleen in Holland maar al spoedig ook met buitenlanders, zoals Denen, Bremers en Hamburgers. Er waren toen nog geen speciale marktplaatsen, zodat de buitenlandse handelaars her en der de zuivel kochten en hun eigen meegebrachte waren verkochten. Geleidelijk kwamen toch steeds meer boeren naar de plaatsen toe, waar de meeste nering was. Deze dorpen werden groter dan naburige dorpen en gingen in rijkdom en aantal inwoners op kleine steden lijken. Zo zijn de meeste Westfriese steden ontstaan, Medemblik als eerste. Hoorn was oorspronkelijk zelfs geen dorp, maar slechts een sluis met een overtoom waardoor het binnenland zijn water loosde op zee. Maar, toen daar eenmaal enige bedrijvigheid was ontstaan, achterhaalde Hoorn, door zijn goede "gelegenheid" (ligging), welhaast al de andere dorpen.

Uitwateringspunt van de Oosterpolder met twee molens
Uitwateringspunt van de Oosterpolder met twee molens. Dit punt ligt aan het eind van de (huidige) Holenweg. Uitsnede uit de kaart van Hoorn en omgeving van Jacob van Deventer uit 1560 (Westfries Archief).

Velius bespreekt vervolgens op pp. 9-11 meer in detail het ontstaan van Hoorn, als volgt: Er was dus vroeger in de dijk een grote sluis met een overtoom voor schepen aan de oostzijde van het marktplein (de Rode Steen), dat daar nu ligt. De sluis diende om het water uit het achterland te lozen en ook voor het in- en uitvaren van schepen. Vanuit het binnenland liep 'de Tocht', die thans (d.i. in de tijd van Velius) nog tot de Koepoort loopt, naar de sluis. Aan de zeezijde van de sluis lag wat voorland, begroeid met riet. Dit was een restant van het land waarop het weggespoelde dorp Dampten heeft gelegen. Door het buitendijkse land liep een geul naar open zee, redelijk diep en met een gebogen loop, in de vorm van een koehoorn. Door zijn gebogen vorm was deze geul een beschutte en veilige ligplaats voor schepen. Het aangrenzende buitendijkse land, waar nu een deel van de stad op staat, had een lage ligging en was moerassig, met hier en daar kleine meertjes, en meer geschikt om riet en biezen voort te brengen dan voor iets anders. Het binnenland was uiterst vruchtbaar en had vele en mooie dorpen die als een ring om de sluis lagen en die geen betere toegang tot de zee hadden dan door die sluis. Door de gunstige ligging van Hoorn kwamen daar dagelijks vreemdelingen om van de ingezetenen boter, kaas en andere zuivelproducten te kopen en om verschillende handwerkproducten aan hen te verkopen, daar de streek zelf nog zonder ambachtslieden was. Er kwamen onder andere regelmatig drie broers uit Hamburg die in bier handelden. Zij zagen de mogelijkheden van Hoorn en de dagelijkse grote toeloop van mensen uit de omgeving en besloten om er ieder een huis te bouwen dat ook als herberg kon dienen, om zodoende de bieromzet te vergroten (vermoedt Velius). Deze drie huizen waren de eerste gebouwen van Hoorn. Zij werden gebouwd in 1316, in de tijd toen Graaf Willem III (Willem de Goede) aan de macht was. Een van die drie huizen heeft er gestaan tot de tijd van de ouders van Velius en is in 1540 afgebroken. Toen men daar destijds aan het graven was, vond men onder de grond palen en resten van de oude beschoeiing van de vroegere Tocht, en ook de fundering en resten van een overtoom. Dit zijn bewijzen, dat het betreffende huis dicht bij de overtoom moet zijn gebouwd. Centen voegt hier aan toe:
"Van deze schoeiselen heeft ook de Heer Adriaan Beverwyk, oud Schepen dezer Stad, in zyn huis aan de markt, of de Roden-steen, naast de Waag, onder het delven van een kuil, om een kelder te maken, in het jaar 1710 de overblyselen gevonden." (Aantekening 15 door S. Centen, Velius, 4e druk, 1740, bij het jaar 1316, p. 10)