Een eeuw lang actief voor Hoorns erfgoed

Hoorn en het binnenwater Jubileumnummer Kwartaalblad 2003 / 5

De Tocht Pagina 10

Twee andere publicaties die vrij uitvoerig ingaan op de waterstaatsgeschiedenis van midden en oostelijk West-Friesland, zijn die van Ruyterman (1967) en Bouwens (1985). Hoorn wordt daarin echter niet genoemd. Ruyterman (1967) bespreekt de Wijzend die door de Vier Noorder Koggen loopt (het gebied tussen de Berkmeer en Hauwert). Bouwens (1985) gaat in op de waterstaatkundige geschiedenis van het ruilverkavelingsgebied 'De Gouw' (het gebied tussen Spierdijk en Aartswoud). Hij meldt, dat in de 'Mollenacte der Noorder Cogghen' uit 1537 geregeld werd, dat het water uit alle hoeken van de Vier Noorder Koggen via molenbemaling naar een centraal uitwateringspunt ten westen van Medemblik (de Waerdijksluis) werd gebracht. Hiertoe werden o.a. een aantal belangrijke waterlopen verbreed en uitgediept. Maar dan zijn we al in de 16e eeuw.

Een gedetailleerde studie, zoals die van Beenakker (1988) over de waterstaatsgeschiedenis van westelijk West-Friesland, is voor midden en oostelijk West-Friesland nog niet geschreven. Borger (1975) behandelt vooral het gebied ten ZW van Hoorn, tot aan de Beemster (de Veenhoop).

Op het Blad Hollands Noorderkwartier van de Archeologische Kaart van Nederland, schaal 1 : 100.000, Vroege Middeleeuwen (Borger en Bruines, 1994), komt slechts een beperkt aantal natuurlijke waterlopen voor in het veengebied van Noord-Holland omstreeks 800 na Chr. In midden en oostelijk West-Friesland staan slechts drie riviertjes ingetekend, nl. de Kromme Leek (uitmonding bij Onderdijk, ten zuid-oosten van Medemblik), de Drecht (uitmonding bij Schellinkhout) en een klein watertje met uitmonding bij Oosterleek, ten oosten van Wijdenes. Bij Hoorn is geen waterloop ingetekend op de kaart.

Een opvallend punt is verder, dat de benaming Gouw op heel veel plaatsen voorkomt op oude kaarten van West-Friesland, zowel als aanduiding van een weg of dijk als van een waterloop. Het gaat daarbij, voor zover bekend, steeds om gegraven waterlopen. Waarom zou de Hoornse Gouw hierop een uitzondering vormen?

In de hier genoemde publicaties worden nauwelijks argumenten gegeven voor ófwel een natuurlijke ófwel een gegraven loop van de Tocht. In het volgende hoofdstuk wordt aannemelijk gemaakt, dat slechts een klein deel van West-Friesland zijn water via de Tocht heeft geloosd op de Zuiderzee. Dat past beter bij een gegraven loop dan bij een natuurlijke loop van de Tocht. Voor een natuurlijke rivier met een dergelijk klein afwateringsgebied lijkt de Tocht een te groot water te zijn geweest. Voorts is in een van de eerdere hoofdstukken van dit artikel betoogd, dat 'veenriviertjes' niet dicht zijn gezaaid in een hoogveen. In de eeuwen van de ontginning van het veen moest wel heel veel water uit West-Friesland worden afgevoerd. Het is logisch, dat hiervoor naast de (schaarse) natuurlijke waterlopen extra afwateringskanalen naar de Zuiderzee zijn gegraven. Een en ander afwegende, lijkt een gegraven loop van de Tocht het meest waarschijnlijk. Een uitgemaakte zaak is dit echter niet.

Hoe dit ook zij, ook als de Tocht (geheel of gedeeltelijk) een gegraven waterloop is of een gekanaliseerde vorm van een vroeger veenriviertje, dan nog vervulde hij een rol bij de afwatering van een deel van West-Friesland naar de Zuiderzee en blijven de vragen relevant die in dit artikel worden opgeworpen. Het voedingsgebied van de Tocht in de 13e - 14e eeuw is echter moeilijk te reconstrueren, als het een gegraven water is geweest. Door gegraven verbindingen te hebben gemaakt kunnen delen van West-Friesland op het uitwateringspunt bij Hoorn zijn aangesloten die daarop van nature niet afwaterden.

Het afwateringsgebied van de Tocht

Er moet een relatie zijn geweest tussen het zgn. debiet (de afgevoerde hoeveelheid water per tijdseenheid) van de Tocht en de grootte van het gebied dat afwaterde op de Tocht. Hoe groter het afwateringsgebied, hoe groter de afgevoerde hoeveelheid water. Waar lag, en hoe groot was het gebied dat zijn natuurlijke afwatering had op de Tocht? Of, als de Tocht een gegraven waterloop is geweest, hoe groot was het deel van West-Friesland, dat via de Tocht zijn water loosde op de Zuiderzee?

In verband met de ligging van het stroomgebied van de Tocht even een korte uitweiding over de bodemgesteldheid van West-Friesland. Hoorn lag en ligt aan de zuidwestgrens van het verbreidingsgebied van de Westfriese Afzettingen. Ten oosten en noorden van Hoorn vormen deze afzettingen de bovenste 2 à 3 m van de bodem. Het bodemoppervlak ligt daar op 0.50 tot 1.50 m -NAP. De Westfriese Afzettingen zijn tevoorschijn gekomen, toen de veenlaag, waarover eerder in dit artikel uitvoerig is gesproken, uit West-Friesland was verdwenen. Ten westen en zuidwesten van Hoorn lag en ligt de Veenhoop. Daar ontbreken de Westfriese Afzettingen. De bodem bestaat er voor een deel uit veen, maar voornamelijk uit oude blauwe zeeklei, de zgn. Beemsterafzettingen. (Terzijde: Geologen gebruiken de namen Afzettingen van Calais en Afzettingen van Duinkerke.) In de Veenhoop ligt het bodemoppervlak thans op 2 tot 3 m -NAP. De Westfriese Afzettingen zijn gevormd in een waddengebied met brede en diepe getijgeulen. Deze geulen zijn opgevuld met zand. Na het droogvallen van het gebied zijn de kleirijke afzettingen buiten de geulen gedaald door inklinking. De zandige geulopvullingen zijn daardoor als brede en lage ruggen in het landschap komen te liggen. Er lopen twee hoofdgeulruggen door West-Friesland, een noordelijke, van Hoogwoud naar Medemblik, en een zuidelijke van Hoogwoud via Wognum en Wijdenes naar Enkhuizen. Ze hebben talrijke zijtakken. De zuidelijke hoofdgeulrug loopt op ca. 4 km ten noorden van Hoorn. Na het verdwijnen van het veen uit West-Friesland vormden de geulruggen de natuurlijke waterscheidingen binnen West-Friesland. De Kromme Leek zorgde voor de afwatering van een groot deel van het gebied tussen de noordelijke en de zuidelijke hoofdgeulrug. Dit watertje begint zijn loop tegenwoordig aan de noordkant van het westelijke uiteinde van Zwaagdijk en loopt vandaar langs Zwaagdijk en via Wervershoof naar de Grote Vliet bij Onderdijk.

Oosterpolder kaart
De Oosterpolder op de Waterstaatskaart van 1866. De Oosterpolder wordt thans voor een groot deel ingenomen door de uitbreidingswijken van Hoorn, zoals de Risdam en de Kersenboogerd (Westfries Archief)