Meer dan een eeuw actief voor Hoorns erfgoed

Hoorn en het binnenwater Jubileumnummer Kwartaalblad 2003 / 5

De Tocht Pagina 11

Het gebied dat afwaterde op de Tocht, moeten we zoeken ten zuiden van de zuidelijke grote geulrug. Het is de vraag, of de Veenhoop, aan de westkant van Hoorn, tot het afwateringsgebied heeft behoord in de 13e en 14e eeuw. Volgens Borger (1975) had de Veenhoop in de 14e eeuw eigen uitwateringspunten op de Zuiderzee, nl. via de Korsloot en de Schardammersluis, via het Schot en de Scotersluis en via de Slimtocht en de Barchoutersluis. Mogelijk ook nog via de Naamsloot. De afwatering van de Veenhoop verliep dus in de 14e eeuw duidelijk niet via de Tocht. Blijft over het gebied van de Kleine en de Groene Wijzend, de omgeving van het Keern tot aan Wognum, (een deel van) Zwaag, en Westerblokker tot aan de Dracht. De Dracht en de dorpsstraat van Schellinkhout markeren waarschijnlijk de loop van een veenstroompje (de Drecht), dat bij Schellinkhout in de Zuiderzee uitmondde. Het lijkt er dus op, dat het stroomgebied van de Tocht niet groot kan zijn geweest. Toch lijkt de Tocht in Hoorn een flink water te zijn geweest, ondanks de geringe grootte van het gebied dat erop afwaterde. Hoe zit dat? Het is niet uitgesloten, en zelfs waarschijnlijk, dat de waterscheidingen tussen de veenriviertjes vóór de ontginning van het veen op een andere plaats hebben gelegen dan daarna, toen de zandige geulopvullingsruggen het beeld gingen domineren. Het veenreliëf zal niet zijn samengevallen met het reliëf, dat bloot kwam na het verdwijnen van het veen. Dit zal zeker invloed hebben gehad op de waterafvoer van de veenstroompjes. Misschien heeft vóór de ontginning van het veen een groter gebied via de Tocht afgewaterd op de Zuiderzee dan ná het verdwijnen van het veen. Het verkavelingspatroon kan ons hier misschien helpen (fig. 6). Het verkavelingspatroon markeert het afwateringspatroon zoals dat was aan het begin van de ontginning, op voorwaarde dat het verkavelingspatroon uit die tijd thans nog herkenbaar is op (oude) top. kaarten en/of luchtopnamen. Veenstroompjes hebben destijds gefungeerd als ontginningsbases. Aan weerszijden van een veenstroompje hebben de kavels of percelen daardoor vaak een verschillende richting. Langs de Tocht is hiervan weinig te bespeuren. Is de Tocht wel een belangrijke veenrivier geweest? Het lijkt erop van niet. Het gebied dat erop afwaterde, was daarvoor eenvoudig te klein. Opvallend is de afwijkende dwarse kavelrichting van de banne Hoorn, vergeleken met die van de aangrenzende bannen Westerblokker en Zwaag. Op de topografische kaart uit 1859 (fig. 6) is te zien, dat toen de meeste kavels van de banne Hoorn van de Koepoortsweg naar de vaart langs de Holenweg liepen. Een kleiner aantal kavels lag tussen de Tocht en het Keern. Hieruit mogen we wel afleiden, dat in 1859 het grootste deel van de banne Hoorn afwaterde naar zee via de vaart langs de Holenweg. Zeer waarschijnlijk was dit al lang vóór 1859 het geval.

Een interessante tekst is de, jammergenoeg niet gepubliceerde, doctoraalscriptie uit 1985 van de historisch-geograaf W. Ligtendag, afgestudeerd aan de U.v.A. Deze scriptie bevat een eerste aanzet om te komen tot een analyse van de ontginnings- en afwateringsgeschiedenis van midden West-Friesland in de periode tot 1400 AD, en wel aan de hand van topografische kaarten. De scriptie behandelt het gebied tussen Heerhugowaard, Spanbroek, Hoorn en de Beemster. De oudste ontginningen in dit deel van West-Friesland zoekt Ligtendag in de omgeving van resp. Ursem en Wognum. Voor de afwateringsgeschiedenis van zijn studiegebied gaat Ligtendag drie alternatieve scenario's na. In verband met de waterstaatsgeschiedenis van Hoorn en omgeving is de belangrijkste uitkomst, dat in géén van de drie mogelijke scenario's er sprake is van een afwatering van het betreffende deel van West-Friesland via Hoorn naar de Zuiderzee. Uit deze studie komt dus naar voren, dat het gebied dat via Hoorn afwaterde op de Zuiderzee, niet moet worden gezocht ten NW, W en ZW van Hoorn. Het gebied, dat via de Tocht (Gouw) bij Hoorn afwaterde op de Zuiderzee, zal dus ten NO en O van Hoorn hebben gelegen. Maar al op korte afstand van Hoorn vinden we daar, zoals boven al vermeld, de Drecht die bij Schellinkhout uitmondde in de Zuiderzee. Het natuurlijke afwateringsgebied van de Hoornse Tocht (Gouw) kan zich dus niet verder naar het oosten hebben uitgestrekt dan tot westelijk van Schellinkhout, en is dus naar alle waarschijnlijkheid niet groot geweest.

De zgn. beer (waterkering) in de stadsgracht die volgens de Vries (1864)
De zgn. beer (waterkering) in de stadsgracht die volgens de Vries (1864) de scheiding vormde tussen het water van de Oosterpolder en dat van de Westerkogge. Dit deel van de stadsgracht lag ter plaatse van het latere station. Foto uit 1870

Een belangrijk gegeven in dit verband is, dat de bannen Hoorn, Westerblokker en Zwaag in een vroeg stadium met elkaar voor de bemaling zijn verenigd. Tesamen vormden zij de Oosterpolder (de Vries, 1864). De Oosterpolder bestaat nog steeds (niet als rechtspersoon), met het bijbehorende gemaal 'Oosterpolder' aan het eind van de Holenweg (fig. 9). De Oosterpolder heeft een oppervlakte van 1710 ha (ongeveer 4 bij 4,5 km). De banne Hoorn vormt de zuid-west hoek ervan (fig. 10 en 11). De Oosterpolder grenst in het oosten aan de polder het Grootslag en de polder Schellinkhout, en in het westen aan de polder de Westerkogge. De waterkerende kades en dijken van de Oosterpolder waren (en zijn) de Westfriese Zeedijk aan de oostkant van Hoorn, de Opperweg, de Lageweg, de Zuider- en Noorderdracht, de Nieuwe Weg, de Zwaagdijk, het Keern en de stadswallen van Hoorn (fig. 11). In feite komt de Oosterpolder overeen met het gebied, dat hiervoor al globaal is omlijnd als het afwateringsgebied van de Tocht. De Vries noemt in 1864 de stenen beer (waterkering) in de stadsgracht bij de 'kruidtoren' (= Mariatoren) tussen de Ooster- en de Noorderpoort als het scheidingspunt tussen het water van de Oosterpolder en dat van de Westerkogge. Vermoedelijk vergist de Vries zich hier in de lokatie van de beer. Een beer in de stadsgracht komt voor het eerst voor op de kaart van Hoorn van Velius uit 1615, en wel bij de Noorder Veemarkt. Daar heeft hij gelegen tot de demping van dit deel van de stadsgracht voor de bouw van het station in 1880 (fig. 12). Op het aansluitpunt van de Bangert aan de Noorderdracht kwam de Groene Wijzend vanuit de polder het Grootslag de Oosterpolder binnen. Daar lag een overhaal, genaamd het Bangerter Rad (fig. 13). Er is weinig bekend over de geschiedenis van de Oosterpolder. Zo is niet bekend, wanneer de drie genoemde bannen zich hebben verenigd, maar de genoemde topografische begrenzingen van de Oosterpolder bestonden al in de 14e eeuw. De aangrenzende polder het Grootslag is gesticht in 1423 (Noordeloos en Morsink, 1946, p. 19). Het is heel goed mogelijk, dat de Oosterpolder ook rond die tijd is ontstaan. Dat zou samenvallen met de demping van het deel van de Tocht in de Kerkstraat in 1420. Het lijkt niet waarschijnlijk, dat ten tijde van het ontstaan van Hoorn en de eerste eeuw daarna (13e-14e eeuw) de Oosterpolder óók al heeft bestaan. De Wijzend (inclusief de Tocht) bestond wél al lang voor 1423, mogelijk al vóór 1289 (zie het vorige hoofdstuk). Uit de omschrijving van de Vries kan worden afgeleid, dat het deel van (de banne) Hoorn binnen de stadswallen in 1864 niet tot de Oosterpolder behoorde. Waarschijnlijk heeft de gehele banne Hoorn, inclusief de stad, aanvankelijk wél deel uitgemaakt van de Oosterpolder, namelijk in de tijd toen de Oosterpolder nog alleen via de Tocht en de sluizen/spuien bij de Kuil en de Slapershaven uitwaterde op de Zuiderzee. In 1579/1580 is de scheiding tot stand gebracht tussen het water van de Oosterpolder en het water binnen de stadswallen, dat toen grotendeels gemeen werd gemaakt met de Zuiderzee. De banne Hoorn lag dus vanaf 1579 voor een deel binnen en voor een deel buiten de Oosterpolder. In 1864 werd de Oosterpolder bemalen door drie molens met een uitwateringssluis in de Westfriese Zeedijk (de Vries, 1864). De molens stonden even binnen de zeedijk aan het eind van de Holenweg op de grens tussen de gemeenten Hoorn en Blokker. Deze drie molens worden ook genoemd in 1650 in het 'Vervolg' op de Kroniek van Velius (Saaltink, 1992, p.3). Het is niet bekend, wanneer dit uitwateringspunt is gesticht. Het komt al voor op de kaart van Jacob van Deventer uit 1560 (fig. 7 en 8). In de overwelving van de persleiding van het gemaal Oosterpolder zat tot 1977 een steen ingemetseld met het jaartal 1561 ('Toen Hoorn nog Oud-Hoorn was', 1980, p. 203). Het uitwateringspunt heeft vermoedelijk de rol overgenomen van oudere uitwateringspunten binnen Hoorn (Rode Steen, Kuil, Slapershaven, Schoolsteeg). De Tocht is nadien, als een aftakking van de Wijzend, in stand gehouden als deel van de waterweg tussen Enkhuizen en Hoorn.