Een eeuw lang actief voor Hoorns erfgoed

Hoorn en het binnenwater Jubileumnummer Kwartaalblad 2003 / 5

De Tocht Pagina 12

De in het vorige hoofdstuk aangehaalde opmerking van Noordeloos en Morsink (1946), dat in de 14e eeuw ieder buurschap zoveel mogelijk zijn eigen weg naar zee zocht, past ook in het beeld van een klein afwateringsgebied van de Tocht. Immers, de buurschappen en bannen en de daarmee verbonden waterstaatkundige eenheden waren klein. Het was in die tijd problematisch om overtollig water naar zee af te voeren over het grondgebied van andere buurschappen of bannen. Men hield 'vreemd' water het liefst buiten de deur. Kortom, er waren in de 14e eeuw waarschijnlijk niet veel waterlopen die door verschillende buurschappen liepen en zorgden voor de afwatering van verschillende buurschappen tegelijk, aangenomen dat Noordeloos en Morsink (1946) een juist beeld van de situatie schetsen. Toch kunnen de buurschappen die niet aan zee grensden, niet allemaal een eigen rechtstreekse afwatering naar en een eigen uitwateringspunt op de Zuiderzee hebben gehad. Zij moeten voor hun afwatering gebruik hebben gemaakt van een of enkele grote waterlopen (natuurlijk of gegraven) die langs verschillende buurschappen liepen, zoals de Kromme Leek. Volgens van de Ven (1993) werd in ontginningen die verder verwijderd waren van een riviertje, bijvoorbeeld op een veenmoskoepel, vóór de ontginning een afwateringskanaal gegraven dat uitmondde in een natuurlijke waterloop. Ook werden in latere stadia van de ontginning dikwijls grenssloten die langs de achtergrens van de ontginningen waren gegraven, verbreed tot regionale afwateringskanalen. De Tocht (en de Wijzend) zou zo'n regionaal afwateringskanaal geweest kunnen zijn, maar ook de eerder genoemde vaart langs de Holenweg naar het uitwateringspunt van de Oosterpolder. Zie de figuren 6 en 7. Sowieso zijn er via sluizen en overtomen al vroeg (14e eeuw) doorgaande vaarroutes in West-Friesland geweest ten behoeve van het marktverkeer.

De waterafvoer door de Tocht

Volgens Velius is Hoorn dus ontstaan aan een uitwateringssluis in de Westfriese Omringdijk die diende om het water, dat via de Tocht uit het achterland werd aangevoerd, te kunnen lozen op de Zuiderzee. Bemaling met windmolens werd in die tijd (13e-14e eeuw) nog niet toegepast in West-Friesland. Men was aangewezen op een 'natuurlijke' waterlozing op de Zuiderzee. We moeten ons daarbij realiseren, dat door de inklinking en oxidatie van het veen de bodem in de 13e eeuw al flink was gedaald, zeer waarschijnlijk tot beneden het niveau van gemiddeld hoogwater op de Zuiderzee. De consequentie daarvan was, dat de sluis alleen kon worden geopend bij eb op de Zuiderzee. Tijdens vloed op de Zuiderzee moest de sluis gesloten worden. Figuur 14 geeft een indruk van de betrekkelijk geringe dagelijkse verschillen tussen eb en vloed op de Zuiderzee in de 19e eeuw, met uitschieters in de winter. We beschikken niet over dergelijke waterpeilgegevens uit de tijd vóór 1700.

De overhaal het Bangerter Rad in de vaarroute tussen Hoorn en Enkhuizen
De overhaal het Bangerter Rad in de vaarroute tussen Hoorn en Enkhuizen, op het punt, waar de Noorderdracht de Wijzend kruist. Foto uit ca. 1900. De schuiten werden op houten rollen over de helling getrokken via een kabel om de as tussen de twee raderen aangedreven door mankracht

Voor een goed begrip eerst enkele definities. Arends (1994) maakt in zijn standaardwerk 'Sluizen en stuwen' een onderscheid tussen 'uitwateringssluizen' en 'spuisluizen'. Uitwateringssluizen dienen om overtollig binnenwater te kunnen lozen uit een door dijken omringd gebied. Als het buitenwater afwisselend hoger en lager staat dan het binnenwater, is een natuurlijke waterlozing (zonder bemaling) alleen mogelijk bij een lage stand (eb) van het buitenwater. Bij hoge buitenwaterstand (vloed) is de sluis gesloten en wordt zowel het buitenwater als toestromend binnenwater tegengehouden. Bij lage buitenwaterstand staat de sluis open en kan het binnenwater worden geloosd. In 1065 zou al een uitwateringssluis zijn gebouwd in een dam in de Rotte bij Rotterdam. Uitwateringssluizen worden regelmatig ook aangeduid met de naam spuisluis. Strict genomen is dat niet juist volgens Arends, omdat spuisluizen primair niet bedoeld zijn voor de afwatering. Spuisluizen dienen om het dichtslibben van vaargeulen te voorkomen en deze zo op voldoende diepte te houden. Ze waren vooral te vinden aan het uiteinde (landzijde) van kleine zeehavens. De spuisluis heeft daar een soort van baggerfunctie voor de scheepvaart, hoewel hij zelf meestal geen schepen doorlaat. Achter een spuisluis bevindt zich een waterbekken, de sluiskom, die tijdens opkomend getij (vloed) volloopt met water. Als het tij keert, wordt de sluis gesloten. Bij de laagste stand van het buitenwater (eb) wordt de sluis weer geopend. Het water stroomt dan met grote snelheid uit de sluiskom, woelt het slib op uit de voor de sluis gelegen vaargeul, neemt dit mee naar open zee en houdt zo de haven op diepte. Een ander gebruik van spuisluizen is het op gezette tijden verversen van het water in en het doorspoelen van waterlopen in steden. Het water moet dan op een ander punt weer kunnen worden geloosd, b.v. via een uitwateringssluis. De oudst bekende spuisluis s.s. is die van Middelburg uit 1365. Tot zover Arends (1994). Hadden we in Hoorn bij de Rode Steen te maken met een uitwateringssluis of met een spuisluis s.s., of met een sluis die beide functies in zich verenigde? Velius laat zich hierover niet uit. Gezien de tijd, waarover we spreken (rond 1300), was het waarschijnlijk geen spuisluis in de stricte zin van het woord, maar een uitwateringssluis, met een vergelijkbare uitschurende werking als een echte spuisluis.

Nu rijzen er twee vragen:
1. Als tijdens vloed de sluis werd gesloten, waar bleef gedurende die vloedperiode (die ca. zes uur duurde) het water, dat door de Tocht (Gouw) werd aangevoerd? Hoeveel water was dat, en waar werd het tijdelijk opgeslagen tot het moment, dat de sluis weer openging?
2. Volgens Velius is in 1420 het deel van de Tocht (Gouw) vlak vóór de sluis (de Kerkstraat) gedempt. Hoe en waar werd vanaf 1420 het water op de Zuiderzee geloosd, dat nog steeds door de Tocht (Gouw) vanuit het achterland van West-Friesland werd aangevoerd naar Hoorn?

We kunnen een ruwe schatting maken van de hoeveelheid water die door de Tocht werd afgevoerd (het zgn. debiet) op basis van de volgende min of meer plausibele aannamen: (a) de breedte van de Tocht was gelijk aan de huidige breedte van de Gouw en de Nieuwstraat (5 m), (b) de Tocht had een bevaarbare diepte van 1 m, en (c) de stroomsnelheid van het, door de geringe diepte en het geringe verval, traag stromende water was 1 km/uur. Dit levert een debiet op van 5000 m3 per uur.

De stroomsnelheid kan worden berekend met de Formule van Manning. Daarvoor moeten bekend zijn: de waterdiepte (hoe dieper het water is, hoe sneller het stroomt), de helling van het wateroppervlak (hoe steiler, hoe sneller), en de wrijvingsweerstand van de bedding en oevers (hoe ruwer, hoe langzamer). De waarde van de wrijvings- of ruwheidscoëfficiënt hangt onder meer af van de aanwezigheid van waterplanten en oeverbegroeiing en kan worden opgezocht in een tabel. De Formule van Manning luidt als volgt:

v = 1/n . R(exp0,67) . S(exp0,5)
v = stroomsnelheid, m/sec
R = hydraulische straal (bij benadering de waterdiepte), m
R = A/P
A = natte doorsnede, m2
P = natte omtrek, m
S = helling van het wateroppervlak, m/m
n = Manning's ruwheidscoëfficiënt

Enkele berekeningen met drie verschillende hellingen:
- waterdiepte 1 m, n = 0,04, helling 1 m per 1 km, dan is v = 0,8 m/sec, ofwel 2,8 km/uur
- waterdiepte 1 m, n = 0,04, helling 1 m per 5 km, dan is v = 0,35 m/sec, ofwel 1,3 km/uur
- waterdiepte 1 m, n = 0,04, helling 1 m per 10 km, dan is v = 0,25 m/sec, ofwel 0,9 km/uur