Een eeuw lang actief voor Hoorns erfgoed

Hoorn en het binnenwater Jubileumnummer Kwartaalblad 2003 / 5

Bemaling Pagina 16

Velius beschrijft, hoe in 1426 de eerste stadswallen zijn aangelegd in Hoorn, zonder bolwerken of torens, maar met een goede, diepe gracht:

pp. 43-44:
Nu om van de eerste wal iets breeder te spreken, hij was alleen van eerde, en werd met grote snelheid voltooid, want de ganse burgerij was daaraan doende, en hij had nergens geen flankeeringen of bolwerken, die het werk vertoefden, ook geen stenen torens als naderhand, maar alleenlijk een goede diepe gracht, en hier en daar bekwame wachthuizen, van welke nog enige tot onze ouders tijden toe gestaan hebben. De strekking ging aldus: eerst van de oude Oosterpoort af, voorbij het einde van het Gerritsland tot aan de nieuwe Turfhaven toe; vandaar voort langs de zelve Turfhaven, de Hoogebergen, de Wortelvesten, tot aan het einde van het Nieuwe Noord; vandaar sloeg hij noordwaarts op achter de Vrouwenkerk (=Noorderkerk) henen, tot een weinig voorbij de zelve kerk; en vandaar liep hij bijna zuid-west op tot aan de Varkenmarkt, en zo voort binnen het water van de zelve markt tot aan de Westerpoort. Dit is het naaste dat ik hier in vinden kan.

Hierbij aansluitend schrijft Velius:

p. 44:
Zoveel de andere waters, die wij genoemd hebben, aangaat, het is buiten twijfel, dat die eertijds de gracht geweest hebben, en dat de eerste wal binnen al de zelve langs gegaan heeft, hoewel na het vergroten van de stad de aarde van de wal temet weder weg gedolven is, en hier en daar gebracht op de lage plaatsen van de stad, zodat nu nergens geen blijk of teken daarvan gebleven is.

De Turfhaven en de Vollerswaal zijn dus rond dezelfde tijd gegraven als het jaar waarin het deel van de Tocht/Gouw in de Kerkstraat werd gedempt. We moeten deze zaken dan ook in hun samenhang zien. De nieuwe stadsgrachten openden de mogelijkheid voor twee nieuwe afwateringsroutes van de Tocht naar zee: (a) vanaf het Nieuwland via Onder-de-Boompjes, Turfhaven en Vollerswaal naar de sluis bij de Slapershaven, en (b) vanaf het Nieuwland via de (Gedempte) Turfhaven en het Achterom naar de Kuil. Deze routes zijn door Van der Knaap en Veerkamp (1996, p. 54) afgebeeld in hun figuur 2 die de situatie in 1425 e.v. weergeeft.

In 1443 stond Gherijt Syvertsz., dijkgraaf van West-Friesland, aan Hoorn toe, om een verlaat te leggen in de Oosterdijk (=Grote Oost), binnen de stad (Oud Archief Hoorn, inventarisnr. 566, bergnr. 2917, nr. 405, p. 242). Volgens persoonlijke mededeling van Dr. H. Zantkuijl (2003) gaat het hier om een duiker onder de Westfriese Omringdijk (Grote Oost) die het water van het Gerritsland verbond met de Zuiderzee. De duiker heeft vermoedelijk gelegen ter plaatse van het eerste Bossuhuis op de hoek van het Grote Oost en de Slapershaven. In 1839 is namelijk bij het eerste Bossuhuis een restant van een duiker gevonden in de vorm van een gemetselde opening met een deur en/of schuif. Het water van de Gouw kon nu, volgens Zantkuijl, vanaf 1443 via de Kerksloot bij de Grote Kerk, Warmoesstraat, Trommelstraat, Gerritsland (en Zon of Vollerswaal) bij de Slapershaven uitwateren op de Zuiderzee. De Trommelstraat was in 1593 nog open water. Het Gerritsland werd in 1619 overwelfd. Als de genoemde route juist is, werd het water van de Gouw in 1443 dus nog steeds dwars door de stad geleid. Een andere route naar de genoemde duiker toe is ook voorstelbaar, en wel vanaf het Nieuwland via Onder-de-Boompjes, Turfhaven en Vollerswaal. Beide routes komen voor op de plattegrond van Hoorn van Jacob van Deventer uit 1560. Op de kaart van Jacob van Deventer komt ook nog een waterloop voor vanaf het Kerkplein via de Peperstraat naar de Vollerswaal. Zantkuijl wijst er in dit verband voorts op, dat een vraagteken moet worden geplaatst bij 1420 als jaar van demping van het gedeelte van de Gouw vlak voor de Rode Steen. Het betreffende deel van de Gouw kon pas worden gedempt, nadat een nieuwe uitlaat van de Tocht/Gouw op de Zuiderzee tot stand was gebracht, dus ná de aanleg in 1443 van de duiker onder de Westfriese zeedijk bij de Slapershaven. Aangenomen natuurlijk, dat deze duiker het enige (nieuwe) uitwateringspunt van de Tocht/Gouw op de Zuiderzee is geweest in die tijd.

In de recente historische literatuur over Hoorn (Wiersma, 1981; Boschma-Aarnoudse, 1998; Van Tartwijk, 2002) worden binnen Hoorn, naast de loop van de Tocht via de Kerkstraat naar de sluis bij de Rode Steen, de volgende andere straten genoemd als delen van tracé's waarlangs in de 13e-15e eeuw de afwatering van de Tocht zou kunnen hebben plaatsgevonden:
- de noord- en oostzijde van het Kerkplein
- de zuidzijde van het Kerkplein
- Peperstraat
- Breestraat
- Schoolsteeg (en verder via een sluis of duiker in het Grote Oost naar de Bottelsteeg of Wijdebrugsteeg en de Appelhaven)
- Warmoesstraat
- Trommelstraat
- Gerritsland (en via duiker in het Grote Oost op de hoek bij de Slapershaven naar de Karperkuil)
Van al deze straten is bekend, dat zij ooit open water zijn geweest en later zijn overkluisd of overwelfd en als onderdeel van de riolering hebben gediend (fig. 17). Het is niet met zekerheid bekend, welk van deze lopen in welke tijd is gegraven, welke van de genoemde lopen eventueel tegelijkertijd hebben bestaan en wanneer welke loop heeft gefungeerd als afvoerkanaal naar de Zuiderzee voor water dat via de Tocht uit West-Friesland werd aangevoerd. Van een eventuele sluis of duiker in of onder het Grote Oost tussen de Schoolsteeg en de Bottelsteeg zijn tot op heden geen sporen gevonden. Een sluis op deze plaats zou, naast de uitwateringspunten op de Rode Steen, de Slapershaven en de Kuil, een vierde uitwateringspunt in de Westfriese Omringdijk binnen Hoorn op de Zuiderzee zijn geweest.

Zantkuijl (pers. mededeling) meldt, dat het water van het Nieuwe Noord via het Glop ter plaatse van het St.Jans Gasthuis (de Boterhal) uitkwam op het Kerkplein en daar aansloot op het water van de Tocht. Ten bewijze daarvan is nog een overwelving aanwezig onder het St. Jans Gasthuis (Boschma-Aarnoudse, 1998).