Een eeuw lang actief voor Hoorns erfgoed

Hoorn en het binnenwater Jubileumnummer Kwartaalblad 2003 / 5

Bemaling Pagina 18

Het ziet er dus naar uit, dat er na de demping in 1420 van het deel van de Tocht in de Kerkstraat twee nieuwe spuien zijn gemaakt in de Westfriese Omringdijk, resp. in 1443 op de hoek van het Grote Oost en de Slapershaven en in 1464 aan de Kuil.

In 1508 vond de eerste stadsuitbreiding plaats. Er werd een nieuwe stadswal met voorliggende stadsgracht aangelegd volgens het tracé Jeudje, Achter de Vest, Noorderstraat, Baanstraat, waar werd aangesloten op de oude wal langs de Veemarkt. In 1510 werd vervolgens de hoek tussen de Baanstraat en de Veemarkt rechtgetrokken. De Mariatoren behoort tot deze omwalling. In 1511 begon men met de bouw van de Oude Oosterpoort. De bouw werd pas in 1538 voltooid.

De eerstvolgende waterstaatkundige ontwikkeling binnen de stad die Velius (p. 184) noemt na de bouw van de spui achter 't Noord in 1464, is de verplaatsing van een windwatermolen in 1513:

"Ook werd de watermolen staende te vooren binnen in de stad, op den hoek van 't Monnikke-veld naer de Gou toe, welke plaetse noch heden daer van de Molen-werf hiet, op desen tijdt eerst verbracht, en gestelt aen de wal op den voet van den tooren, die voor twee jaren aen den kant van de Tocht nieuw gebout was."

Centen voegt daaraan toe:

"De watermolen daar de Heer Velius hier van spreekt, maalde het water, na dat hy op den voet van den toren aan de stadswal gestelt was, uit de Tocht in een kolk achter het Konvent der Kruise-broeders, en vervolgens door de stad. Deze watermolen stond er noch in den jare 1552, maar my is niet gebleken wanneer hy is weggeraakt, ook is de toren daar op hy gestaan heeft thans niet meer te vinden." (Deel van Aantekening 291 door S. Centen, Velius, 4e druk, 1740, bij het jaar 1513, p. 184)

Uit deze passages blijkt, dat het rond 1500 kennelijk nodig (of wenselijk) geoordeeld werd, om water vanuit de Tocht met een windmolen door de stad naar zee te malen. Vermoedelijk met als doel het doorspoelen van de vervuilde en stinkende stadswateren met 'vers' polderwater. Het is niet duidelijk, of hierbij het water ook werd ópgevoerd. Het is namelijk voorstelbaar, dat, door de doorgaande maaiveldsdaling in het achterland, het water in de Tocht lager stond dan het water in de stadsgrachten. Het is ook niet duidelijk, of we uit de geciteerde passages mogen afleiden, dat de Tocht niet langer in open verbinding stond met het water binnen de stadswallen, zodat schuiten vanuit het achterland niet meer de stad konden binnenvaren. Het laatste lijkt niet het geval, want Velius (p. 465) meldt, dat tot 1579 de huisluiden (boeren) met hun schuiten tot aan de Nieuwesteeg konden varen. Kortom, de situatie is niet helemaal duidelijk. Zie de figuren 20-22. Waarom werd water uit de Tocht met behulp van een windmolen door de stad gemalen, terwijl de Tocht ook in open verbinding stond met het stadswater? Bestonden er misschien verschillende waterpeilen binnen de stad? De Haantjesluis, een schutsluis tussen de Gedempte Turfhaven en het Breed, lijkt daarop te wijzen.

In de jaren 1516 en 1561 beschrijft Velius de volgende werkzaamheden aan de Gouw:

p. 193:
Ook was de stad in deze tijd (1516) zeer doende met haar straten, en verhoogde eerst den Roode-steen en de Noorderstraat (=Grote Noord), met ook de Burgwal daarachter (=Achterom), die meteen bij de Nieuwesteeg gediept en met nieuwe schoeiselen voorzien werd. Daarna ook de Gou, diens gracht mede gediept ende wel beschoeid werd, zijnde hetzelve zeer nodig voor het inkomen van de schuiten en het gerief van de landnering.

p. 285:
En het jaar daaraan volgende van 1561 werd de oude gracht (die men de Gou noemde) verwelft, van de grote kerk af tot een weinig voorbij de Blauwe Steen, en dit verwelf werd de Nieuwestraat genoemd.

In 1576 vond aan de oostzijde van de stad de tweede stadsuitbreiding plaats. Er werd een nieuwe wal (het huidige Oosterplantsoen) met voorliggende stadsgracht (de Oosterpoortsgracht) opgeworpen. Deze liep van de nieuwe (thans nog bestaande) Oosterpoort tot iets ten westen van de huidige Veliusbrug. Daar sloot de nieuwe wal aan op de oude wal. Bij de nieuwe Oosterpoort liep de Oosterpoortsgracht tot aan de Zuiderzee. Op de stadsplattegronden van Hoorn uit 1582, 1596, 1615 en 1630 is echter te zien, dat de gracht niet in verbinding stond met het water van de Zuiderzee, maar er door een dwarsdam van was gescheiden. Ook op de kaart van het Dijkgraafschap van Dregterland van Govert Oostwoud uit 1743 komt deze dwarsdam voor (fig. 30). Er staat op die kaart wel een binnendijks verlopende sloot ingetekend vanaf het eind van de Oosterpoortsgracht naar de drie molens aan het eind van de Holenweg. Dat was het uitwateringspunt van de Oosterpolder, dat ook al voorkomt op de kaart van Jacob van Deventer uit 1560. De banne Hoorn was één van de drie bannen van de Oosterpolder, zoals we hebben gezien.

Op p. 461 bespreekt Velius de bouw van de sluis bij de oude Oosterpoort in 1579:

Daarna het jaar 1579, den 9 Junij werd het eerste hout gelegd van de sluis buiten de Oosterpoort (= de oude Oosterpoort tussen Grote en Kleine Oost), en den 16 Junij werd de eerste drempel daarvan gelegd: en daarna werd van de oude gracht, strekkende van de oude Oosterpoort af tot aan den voornoemden Sinte Catrijnen Toren toe, daar haar de vergroting van de stad weder heelde (=aansloot op), ook een nieuwe haven gemaakt, die de Vullerswaal genoemd werd, omdat de Vullerswaal daar eertijds omtrent was. De Gerritsland werd voort met deze haven, en vervolgens met het zeewater gemeen gemaakt, alsook de Hoogebergen, de Wortelvesten, en de Ramesloot, die eerst allemaal verwijd en gediept werden, en de voornoemde Hoogebergen kreeg de naam van de Nieuwe Turfhaven, omdat de turf- en houtschepen verordineert werden daar te leggen.
Ter zelver tijd of liever het jaar 1580 werd de Burgwal achter het Noord (=Achterom) ook gediept en verwijd, en met het zeewater gemeen gemaakt. ..Met dit werk mogt men nu de ganse stad deur het zeewater omvaren, te weten tot het Hoofd in en tot de Kuil weder uit.