Een eeuw lang actief voor Hoorns erfgoed

Hoorn en het binnenwater Jubileumnummer Kwartaalblad 2003 / 5

Bemaling Pagina 23

Toch is twee-en-halve meter onder zeeniveau wel erg laag. Ook achter een dijk zou dat betekend hebben, dat de lokatie vrijwel permanent onder water zou hebben gestaan. Het grondwater wordt door een dijk niet tegengehouden. Er was in die tijd nog geen bemaling. Men moest het hebben van een natuurlijke waterlozing op zee, via een sluis die bij eb openging. Om bewoonbaar geweest te zijn, moet de lokatie aan de Rode Steen begin 13e eeuw (en ook daarna, tot het begin van de bemaling) dus (ruim) boven het toenmalige niveau van gemiddeld laagwater op de Zuiderzee hebben gelegen. Bedenk ook, dat het oppervlak van de Westfriese Afzettingen II direct ten noorden en oosten van Hoorn thans op een hoogte ligt van 1 à 1,5 m -NAP. Vóór het begin van de bemaling, eind 15e eeuw, is dit nog hoger geweest i.v.m. sindsdien opgetreden maaiveldsdaling door ontwatering en klink. Het betreft hier geen hooggelegen zandige geulopvullingen. Er is dus thans een verschil van 1 à 1,5 m tussen de hoogteligging van de top van de Westfriese Afzettingen II vlak buiten Hoorn en op de lokatie 'Winston'.

Gezien de vroege datering van de oudste bewoningssporen (begin 13e eeuw) is zelfs de vraag gerechtvaardigd, of toen de Westfriese Omringdijk al gesloten was. Als dit niet het geval is geweest, en de lokatie dus niet effectief was beschermd tegen het vloedwater van de Zuiderzee, klemt temeer de vraag naar de verklaring van de lage ligging van de oudste bewoningssporen.

Wat kan de verklaring zijn van de extreem lage ligging op ca. 2,5 m -NAP van de bewoningssporen uit het begin van de 13e eeuw op de lokatie 'Winston'? We zouden kunnen denken aan een relatieve zeespiegelstijging in de orde van 2 à 3 m tussen 1200 AD en nu. Dat is niet erg waarschijnlijk. Uit metingen aan peilschalen vanaf 1700 in Amsterdam blijkt de relatieve zeespiegelrijzing daar tussen 1700 en 1800 vrijwel nihil te zijn geweest en van 1800 tot 1995 23 cm te hebben bedragen. Gemiddeld langs de Nederlandse kust bedroeg de relatieve zeespiegelrijzing in de periode 1888-1995 18 cm/eeuw, met vrij grote verschillen van plaats tot plaats, bv. 12 cm/eeuw in Harlingen en 23 cm/eeuw in Hoek van Holland. De laatste jaren is de stijgsnelheid toegenomen. We beschikken niet over cijfers voor de periode tussen 1200 en 1700. Men rekent wel met een gemiddelde waarde voor de snelheid van de relatieve zeespiegelstijging van 10 cm per eeuw gedurende de afgelopen 1000 jaar, dus een stijging van rond 1 m tussen de jaren 1000 en 2000, maar ook 50 cm in de afgelopen 1000 jaar wordt genoemd en zelfs 30 à 50 cm in de laatste 2000 jaar. Zagwijn (Rijks Geologische Dienst, 1991) stelt, dat de zeespiegel in de laatste 2000 jaar niet meer dan dertig tot vijftig centimeter is gestegen. De stijging bedroeg ongeveer 2 cm per eeuw in de laatste 2000 jaar. In de laatste 100 jaar echter 15 cm. De zee bereikte volgens Zagwijn kort na de Romeinse tijd (ca. 500 AD) vrijwel het huidige niveau. Zagwijn geeft de volgende zeespiegelstanden:

jaren zeespiegel,
vóór/na Chr. m - NAP
1250 v. Chr. 1 m
400-100 v. Chr. 0.50 m
100 AD 0.25 m
500 AD 0 m

Het zeeniveau heeft dus rond 1200 AD zeer waarschijnlijk niet lager gestaan dan, zeg, 0.50 m -NAP, met daarbij behorende gemiddelde eb- en vloedstanden op de Zuiderzee bij Hoorn van resp. 1 m en 0 m -NAP. Het oudste bewoningsniveau op de lokatie 'Winston' moet dus rond 1200 AD hoger hebben gelegen dan 1 m -NAP. Overigens zou een stijging van de zeespiegel geen verklaring geven voor het gememoreerde verschil van 1 à 1,5 m in de hoogteligging van de top van de Westfriese Afzettingen II binnen en buiten Hoorn.

Dan komen we bij klink als mogelijke verklaring voor de huidige ligging op 2,5 m -NAP van de oudste bewoningssporen op de lokatie 'Winston'. Waarschijnlijk zijn de oude slootjes in de loop der tijd dieper t.o.v. NAP komen te liggen door zetting en/of inklinking van de ondergrond onder de druk van de opgebrachte grond en de bebouwing, en/of door ontwatering. Van de Walle-van der Woude (2002) spreekt van een eerste terpophoging van ongeveer 1 m aan het eind van de 13e eeuw wegens wateroverlast. In de ondergrond komt de Beemsterklei voor die compactie mogelijk maakt. Ente (1963) besteedt ruim aandacht aan de inklinking van de bodem (bovenste lagen en ondergrond) in 'De Streek'. Inklinking van diepere bodemlagen zou het gevolg kunnen zijn van ontwatering van de bovenste twee meter van de bodem. Hij noemt inklinkingsbedragen in de orde van 1 m. Inklinking is ook de oorzaak geweest van de omkering van het reliëf, waardoor de zandige geulopvullingen van de Westfriese Afzettingen thans als ruggen door het landschap lopen. Dit betekent een klink van het sedimentpakket buiten de geulen van 1 à 2 m. Voor de IJsselmeerpolders en voor Schokland wordt een klink van 1,5 m vermeld.

Inklinking en ophoging hebben elkaar waarschijnlijk afgewisseld op de lokatie 'Winston'. Nieuwe huizen en andere opstallen zijn waarschijnlijk steeds gebouwd op de resten van behuizingen uit eerdere bewoningsfasen. In de loop der tijd is zo een pakket opgebracht materiaal van bijna vier meter dik, bestaande uit ophogingsmateriaal en bewoningsresten, terechtgekomen op de oudste bewoningssporen.