Meer dan een eeuw actief voor Hoorns erfgoed

De ontwikkeling van de vrijheid en de stedelijke jurisdictie van Hoorn (15/25)

Wel zijn de schrijvers van mening, dat men het gedurende die veertig jaren niet geheel zonder kerk stelde, maar dat men zich behielp met een hulpgebouwtje, aangezien de drassige bodem de oprichting van een flink gebouw bijna onmogelijk maakte. De verklaring klinkt niet erg aannemelijk. Het is ondenkbaar, dat er binnen Hoorn geen plaats was om een bescheiden kerkje te bouwen; het is eveneens ondenkbaar, dat een behoorlijk dorp in West-Friesland en daarbij nog wel een behoorlijke handelsplaats met internationaal verkeer, een plaats, die later zonder combinatie met andere bannen poortrecht verkreeg, veertig jaren lang zonder kerk zou zijn gebleven. Bedacht moet worden, dat zich in die tijd in de kerk ook een gedeelte van het burgerlijke openbare leven afspeelde. Tenslotte verzet zich daartegen de benoeming van een pastoor. In plaats van de overleden Theodericus van Heeswijk werd op 21 april 1355, dus in het z.g. kerkloze tijdperk, heer Nicolaus van Hunen tot pastoor van Hoorn benoemd. En tenslotte vinden wij in de poortrechtbrief de Kerkgracht. Dit wijst op het bestaan van een kerk, zij het dan op een heel andere plaats dan waar die van 1323 werd gesticht.

Kerkloos is het tijdperk dus zeker niet geweest, al nemen wij gaarne aan, dat er geen kathedraal zal hebben gestaan. Over de plaats is verder niets bekend. Alleen staat vast, dat zij ten noorden van de inlaag is gebouwd en in. het noordoostelijk gedeelte van de stad. In 1369 werd een bescheiden kerk opgetrokken ter plaatse van de huidige Hervormde kerk. Bij de wijding ontstond een geschil over de patroon onder wiens schutse zij zou worden geplaatst. S. Cyriacus en S. Johannes. De mogelijkheid is niet buitengesloten, dat dit dubbele patroonschap zijn oorzaak vindt in het patroonschap van het kerkje uit het kerkloze tijdperk.

Vooral uit een oogpunt van rechtsbedeling moet het poortrecht voor Hoorn van betekenis zijn geweest. Het in het poortrecht omschreven gebied werd onttrokken aan de jurisdictie van de baljuw van Medemblik. Enkele uitzonderingsgevallen moesten worden voorgelegd aan de heer van West-Friesland en hoger beroep werd rechtstreeks bij deze aangetekend. Overigens werd de rechtsmacht uitgeoefend door de schout, die later ook poorter van Hoorn moest zijn, als vertegenwoordiger van de heer. Deze benoemde ook de schepenen, de rechtvinders, uit een door de burgerij van Hoorn opgemaakte voordracht. Binnen het in de vrijbrief afgebakende gebied konden de poorters, met inachtneming van de daarin gestelde ordening leven als vrije mensen.