Een eeuw lang actief voor Hoorns erfgoed

De ontwikkeling van de vrijheid en de stedelijke jurisdictie van Hoorn (17/25)

Handel, nijverheid en scheepvaart ontwikkelden zich voorspoedig. In de tweede helft van de veertiende eeuw is Hoorn niet alleen ingeschakeld in het internationale goederenverkeer; de eigen schippers koersten hun schepen naar de havens van de Oostzee en van de Noordzee. In 1381 verenigden zij zich in het Sinte Geertengilde.

Naast de koopvaardij nam ook de visserij in betekenis toe; dit vooral door de uitvinding in Hoorn van het grote gebreide haringnet in 1416. Dank zij deze welvaart groeide de bevolking "vast in tal en last". Ramaer schat haar op 3800 personen, tegen 1900 in Enkhuizen en 1300 in Medemblik. Ter vergelijking diene, dat Amsterdam in die dagen niet meer dan 4400 inwoners telde 1).

Ook het godsdienstig leven deelde, zij het op geheel andere gronden, in de bloei. In 1369 werd een nieuwe kerk gesticht en kort daarna vormden zich de eerste kloostergemeenschappen in de stad. In 1389 lezen wij van een Onze Vrouwengild en een Klerkengild. Mocht Hoorn niet steeds op goede voet staan met de landsheren, in 1367 betaalde het 500 mottoenen aan boete 2), het wist toch in de loop der jaren belangrijke voorrechten van hen te verkrijgen. In 1383 werd, onder kwijtschelding van al hetgeen hiertegen was misdreven, de in de vrijbrief vastgelegde beperking betreffende de opname van poorters uit andere plaatsen geheel opgeheven 3). Zes jaar later werd toegestaan van de Denen voor elke os of elk paard, dat zij ter markt brachten, een marktgeld te heffen van een oude grote. Een nieuw groot privilegie verkreeg de stad op 19 april 1396. Albrecht van Beyeren stond toe dat niemand schout, schepen of raad kon zijn, tenzij hij die drie jaren lang "schot en schoude" binnen de stad had betaald. Het gerecht mocht het klerkambt, de kosterij en de school begeven. Het voltrekken van een vonnis zou niet langer dan drie rechtsdagen worden uitgesteld. Het meest belangrijke punt echter was, dat de vrijheid van de stad werd uitgebreid. Hij bepaalde; "Item, want onse stede voiscr. vryhede aen die Zee-zyde seer gemindert is van Zee-vloede, die wekken sy mit groote kost ende bolwerk houden moeten, so hebben wij derselver onser stede vryhede aen die landt-zyde gemeeret, also dat die wesen ende gaen sal van de Noorder Ameyde totter Wysen toe, op ekke syden van den wege L roeden breet" 4).

1) J. C. Ramaer, De middelpunten van bewoninig in Nederland, voorheen en thans, in T.A.G. 38 (1921) p.12.
2) Hoorn. St.Arch. Inv. Gonnet. R.nr. 28.
3) Hoorn, St.Arch. Inv. Gonnet. R.nr. 39.
4) Hoorn, St.Arch. Inv. Gonnet. Rnr. 76 en 77.