Een eeuw lang actief voor Hoorns erfgoed

De ontwikkeling van de vrijheid en de stedelijke jurisdictie van Hoorn (24/25)

Overigens zouden de inwoners de vrijheden en rechten van Schellinkhout genieten, behoudens de waag en wissel te Hoorn 1).
Zo zou Wognum naar alle waarschijnlijkheid zich hebben verlustigd in een zelfstandig politiek bestaan, ware het niet verstrikt geraakt in de politieke intriges, welke zich op hoog staatkundig niveau ontwikkelden. De Hoekse en Kabeljauwse twisten, waarin Wognum niet tijdig wist over te gaan van de zijde van Jacoba van Beyeren naar die van Philips van Bourgondië. Dit kostte Wognum en een aantal andere plaatsen hun stedelijk bestaan. 20 augustus 1462 vielen in ons gewest de volgende boeten: Grootebroek 2000 kronen, Wognum 2000, Hoogwoud 4800, Spanbroek 4000, Abbekerk 2560 en Sijbekarspel 1440. De stad rechtbrieven moesten worden ingeleverd en weer zou hun gebied onder een baljuw komen te staan. In feite werd deze toestand echter niet blijvend hersteld. Op 9 december 1426 kocht Wognum het poortrecht van Hoorn. Het betaalde hiervoor vermoedelijk 233½ Franse kroon, aangezien de "gemene meente" van Wognum op die dag aan de grafelijke tresorier, Boudewijn de Zweeten beloofde dit bedrag te zullen voldoen "binnen die vier heilige dagen na kerstavond" 2). En dat dit bedrag is betaald bewijzen de knippen in het dokument.

De positie, waarin Wognum door de handvest werd gesteld, was vrij vernederend. Zij worden nog wel "goede luden" genoemd, maar dat was maar een kanselarij-uitdrukking. Feitelijk' worden ze nog beneden die van de Veenhoop gesteld. De burgemeesters van Hoorn toch verkozen de vredemakers van Wognum. Daar stond wel tegenover, dat het zijn eigen schout had, maar diens bevoegdheden werden beperkt tot het berechten van zaken die ten hoogste een pond boete opleverden 3).

Of nu de beperkingen, in de nieuwe vrijbrief vervat, de belangstelling van de Wognummers voor het bezit van stadrecht hebben bekoeld, of dat er een andere reden is geweest, waarom zij nog verschuldigde boeten niet op de overeengekomen tijd aan de heer hebben betaald, feit is, dat op 1 october 1427 de heer "die van Wognum ende van Zybekerspel mit sinen toebehoren alle hoire rechten, die sy van minen genadigen here vercregen hadden, wederseyde, want sy hoiren brueken niet betailt en hebben tot sulke dagen als sy mitten rade overdragen waren 4).

1) Den Haag, Algem. R.A. Leen- en Reg.kamer v. Holland. Privilegia I (1406-1416) fol. 132.
2) Hoorn, St.Arch. Inv. Gonnet. R.nr. 274.
3) Den Haag, Algem. R.A., Leen- en Reg.kamer v. Holland. Inv.nr. 318, fol. 86.
4) Den Haag, Algem. R.A., Leen- en Reg.kamer v. HoIland. Inv.nr. 318. fol. 133.