Een eeuw lang actief voor Hoorns erfgoed

Pieter Jansz. Liorne en de Nederlandse Scheepsbouw (4)

In weinige jaren zien wij dit dan ook de te onzent vóórdien gebruikelijke kleinere soorten schepen verdringen; snel in aantal toenemende veroverde het weldra alle zeeën. Daarentegen raakte de bescheiden "vlieboot" - evenals de "boeier" - op de achtergrond; als norm van het koopvaardijschip hadden zij uitgediend (al bleef althans de boeier voor kustvaart, b.v. op Rouaan, in gebruik).

De fluit werd het koopvaardijschip bij uitnemendheid der XVIIe en XVIIIe eeuw, een scheepsmodel dat èn door Engeland én door Frankrijk van ons is overgenomen.

Velius zegt in zijn kroniek van het "opkomen der Hoorensche Fluyten" het volgende (vierde druk, blz. 495): 1595. "'t Is ook aenmerkens waerd, dat dit Jaer de Schepen die men Hoorensche Gaings of Fluyten noemt, voor d'eerste mael hier in onse Stad geboud werden, zijnde de selve viermael soo lang als wijd, en seer bequaem tot de Zeevaert, soo om de zeylagie aen den Wind, als om 't ondiep gaen, en ook om dat sy veel mogen voeren, dies sy soo gesocht werden dat in acht jaren tijds meer als tachtig sulke schepen hier tot Hoorn uytgereed werden, tot groot profijt van de Burgers. Men maekte die achterna noch veel langer, als tot vijf en sesmael soo lang als sy wijd waren: Zijnde Pieter ]ansz. Lioorne de principaelste Handhaver en aenbinder van de se vernieuwinge: daer seer in 't eerste van de nabuyren op gesproken werd, als zijnde een sot en ongefondeert gebou, ja was hen soo vreemd dat ook verscheyden soo Meesters Timmer-lieden als Schippers uyt te nabuyrsteden hier quamen expres om de selve Schepen eens te sien, maer zijn achterna noch selfs gedwongen geweest dese proportie te volgen, of was gesien, dat sy te met uyt het vaer-water geraekt souden hebben".

Centen tekent daarbij het volgende aan: "Van deze uitvindinge verhaalt Hornius in zyn Boekje genaamt Noachs Ark pag. 16. Dat Pieter Jansz. Lioorn, een Koopman te Hoorn, alhier één en meer Schepen naar de ge1ykmatigheid van Noachs Ark liet bouwen, waar van een de langte had van 120. voeten, de wydte of breedte 20. en de diepte of holte 12. voeten: dat de Man, terwyl die tuigen op de Helling stonden, dapper van ieder bespot en uitgelagchen wierd: maar dat men naderhand tot een algemene verwondering bevond, dat zo een Schip niet alleen een derde meer ladings konde bergen dan een ander, maar ook, zonder in 't bestieren meer Volks te behoeven, veel snelder zeilden dan alle andere Schepen".