Meer dan een eeuw actief voor Hoorns erfgoed

Van rijmen en dichten (10)

Na een lange reeks van hooggestemde en wijsgerige beschouwingen komt de dichter weer met de voeten op de grond:

"Gints ryst de spits der Swaager-kerk
Gelyk een' Pieramied naer booven,
En leert, hoe dat het ziele-werk
Moet opwaarts gaan om Godt te looven.
Maar zacht: welk aangenaam geluyt
Sweeft langhs het veldt, en door de boomen?
Wy hooren Bas, Fiool en Fluyt;
't Vermeerdert hoe wy naeder koomen.
Zoo ik wel gis, bespeuren wy
Voor uyt een' rei van Mans-perzoonen,
Die in de ruymte zy aan zy
Zich vroolyk door den drank vertoonen,
Waar toe men geldt en tydt besteedt:
Deez' Herrebergh de Na-dorst heet.

Misschien om dat de Boeren hier,
Als zy in Dorp of Stadt vernachten,
Hunn' Na-dorst met een' teug van bier
Of koelen wyns op nieuws verzachten
Met een verquikkelyken dronk,
Dien ooit het graan, of wyngaard schonk."

De dichter staat nu voor de keus, de Streek in te gaan of rechtsaf langs wat in mijn jeugd Holenweg, maar ook wel Zwarteweg werd genoemd.
De Streek-wandeling blijkt hem te lang te zijn; hij zal rechtsaf slaan, maar niet voordat hij zijn vruchtbare geest tot Enkhuizen heeft laten dwalen, langs

"Een wech met klinkers op zyn' kant,
Die een' onkundigen zal leiden
Van Dorp tot Dorp in veeler zoort,
Zelfs tot Enkhuyzen voor de poort.
Maar waarom toch zoo vlug vooruyt?
'k Word door de Blokkers heên gedreeven
Tot daar West-woudt zyn' banne sluyt:
Myn geest zal met U derwaarts sweeven.
De wyt-beroemde Enkhuyzer Streek;
Die, als ze een' tong had om te praaten,
Geen' voetstap voor den Zaankant week
In Huyzen, Pracht, en Onderzaaten,
In Kerken, daar Godts heilig Woordt
Van duyzenden wordt aangehoort,
Met Dorp aan Dorp tot voor Enkhuyzen,
Een Stadt roemruchtig door de vaart,
En 't groot getal der Haaring-buyzen:
Schoon HOOREN d'eerste Netten vondt,
En d' eerste Buys naer Zee toe zondt."

Een gezond stads-chauvinisme dus, dat wellicht van Enkhuizer zijde niet onweersproken is gebleven 1).

Maar nu met wandelen en filosoferen geruime tijd is verstreken,

"Maar nu de naad'rende avondtydt
Ons roept naer and're tuyn' en Hooven,
Zo is het best, dat wy ons spoên,
En nemen deel aan 't sier'lyk groen.

Welaan dan met een frisschen moedt
Deez' buytensingel opgetreeden,
Om langs haar boom-sieraadt en vloedt
Te ontmoeten die bekoorlykheeden,
Die ooit ons schonk een luchtig veldt
Versiert met afgeperkte weiden,
Waar langs me een' reeks van Toorens teldt,
En Kerken, die Godts woord verbreiden;
Welk hoogte doemt' er op voor uyt!
Een dyk, zoo fors gelyk de bergen,
Die met zijn kruyn de golven stuyt
Wen ons de Waater-wolf komt tergen.

Gints steekt het groote Kerk-gebouw
Zyn rug op booven 't top der daaken,
Wier Tooren-spits, naer ik beschouw,
Schynt aan de wolken toe te raaken:
Ik zie ook d' Oost- en Noorderkerk,
Die door haer' naam en staat vertoonen,

Hoe dat ook daar het Ziele-werk
Geoeffent wordt, en Godt wil woonen,
O wat een gadeloos 2) gezicht!
Dat elk tot dankbaarheidt verplicht.

Dus volg ik wêer myn Zangster na
Langs deezen wech en waterstroomen
Daar ik met aandacht gadesla
De Schellinkhouter Kerk en Boomen;
Gints doet van verre zoet'lyk op
De Enkhuyzer Wester-Kerk en Tooren 3)
Die met zyn' hoog' en spitsen top
Door 't wolke-drift schynt heên te booren:
Zoo speelt hier alles, dat men ziet,
In een betoov'rend malsch verschiet."

1) Volgens Velius heeft in 1416 een Hoorns poorter het gebreide haringnet uitgevonden. welk net een belangrijk grotere vangst dan voorheen mogelijk maakte. Velius vermeldt tevens, dat in dat zelfde jaar de eerste haringbuizen van Hoorn naar zee voeren.
2) Weergaloos.
3) Westerop was wèl helderziend! Ware hij ook in andere zin helderziend geweest, hij zou hebben verteld, dat na nog geen tweehonderdvijftig jaren het gehele areaal, dat hij omwandelde, zou zijn volgebouwd.