Een eeuw lang actief voor Hoorns erfgoed

Korenmolen 'De Krijgsman' te Blokker (3/4)

Bij de herbouw in 1897 bezat de molen reeds de huidige wiekenas. Een gietijzer gevaarte van ca 3,5 ton. Blijkens het opschrift erop in 1867 gegoten als as nr. 467 door de thans al weer verdwenen ijzergieterij 'De Prins van Oranje' te 's-Gravenhage.
Deze gieterij heeft veel molenassen gegoten: meest ter vervanging van de vroegere eikehouten assen, welke niet zo sterk en zeker niet zo duurzaam waren. Niet alleen de assen maar ook de twee roeden - wiekbalken welke door de kop van de wiekenas gestoken zijn - waren vroeger bij molens van hout.
In de vorige eeuw ging men er om dezelfde reden als bij de assen toe over deze als geklonken ijzeren kokerbalken uit te voeren.

In 1897 had onze molen een ijzeren en een houten roede, welke laatste omstreeks 1908 brak en werd vervangen door een tweedehands ijzeren, afkomstig van één van de in die tijd voor afbraak verkochte 16 poldermolens van het waterschap De Vier Noorderkoggen, staande direkt ten zuiden van Medemblik. Deze roede kreeg bij die gelegenheid weer het klassieke hekwerk met zeilbediening i.p.v. het systeem van zelfzwichting, dat al vrij kort na de herbouw op alle vier wieken was aangebracht.
Het systeem van zelfzwichting was destijds afgekeken van de korenmolen van Dirk Nat te De Rijp, welke er toen al mee was uitgerust. Het klassieke hekwerk met zeilen was hier vervangen door om asjes draaibare klepjes, qua werking en uitvoering wel enigszins te vergelijken met de jalouzieën van luxaflex zonneschermen.
Zoals hierbij de zondoorlatendheid geregeld kan worden kan bij de zelfzwichting door de stand der klepjes de winddoorlatendheid van de wiek worden ingesteld.
In gesloten stand vormden ze als het ware 4 'houten zeilen', in geheel open stand lieten ze nagenoeg alle wind passeren.
Het systeem had tot voordeel dat het de regelmatige gang van het wiekenkruis bevorderde doordat windvlagen de klepjes iets opendrukten waardoor ze konden passeren, hetgeen de bediening van de molen vergemakkelijkte en de kwaliteit van het meel ten goede kwam. Nadeel was het vele onderhoud en de tamelijke storm onveiligheid bij stilstand. In tegenstelling tot het noordoosten van ons land heeft dit al eind 18e eeuw in Engeland uitgevonden wieksysteem in West-Nederland nooit veel opgang gemaakt.
Bij onze molen werkte het volgens het slijpkranssysteem, hier niet nader uit te leggen.

In april 1919 kocht K. Laan de molen van zijn grootvader, waarna al spoedig de zelfzwichting geheel werd vervangen door klassieke zeilwieken.
In datzelfde jaar werd een elektromotor geplaatst welke twee koppels op de eerste zolder geplaatste maalstenen en één op de begane grond opgesteld koppel kon aandrijven.
Vanwege de ongemakken van speruren, waarin geen elektriciteit mocht worden afgenomen, werd de elektromotor in 1921 vervangen door een zuiggasmotor. In 1922 werd door K. Laan een later weer verdwenen naambord aangebracht tegen het onderachtkant, voorstellende een krijgsman met daarbij het opschrift: molen De Krijgsman, oud van dagen en niet verslagen. Naamborden, een naam-van-den-molen-verklarend schilderij op een groot houten bord, al dan niet met tekst zag men vroeger wel eens meer, met name in de Zaanstreek. Deze borden hingen vaak in de open lucht, goed zichtbaar bevestigd tegen het molenlijf.
Kort na 1921 werd een van de koppels stenen van de windmolen verwijderd en ter plaatse een elevator (soort rondgaande vertikale riem met bakjes voor graantransport) gebouwd, waarna in 1925 met het windmaalbedrijf geheel werd gestopt.
Rampen bleven ook niet geheel achterwege, want in 1926 verbrandde het uit 1602 daterende molenaarshuis waarbij veel oude papieren, o.a. de oude windbrief en een foto van de in 1896 verbrande molen verloren gingen.
Na tamelijke reparaties aan de molen volgde echter in 1934 weer ingebruikname. De zuiggasmotor werd in 1936 omgebouwd tot dieselmotor. Daar draaide men toen blijkbaar zijn hand niet voor om!
Deze motor is, hoewel niet meer in gebruik, nog steeds aanwezig en staat opgesteld in een van de bijgebouwen. Op zich zo langzamerhand al een monumentje van motorenbouw, dat als zodanig waard is om goed verzorgd en bewaard te blijven. Een stukje industriële archeologie heet dat tegenwoordig.

Vanzelfsprekend werd in de oorlogsjaren '40-'45 de gratis en altijd aanwezige of terugkerende windkracht gretig gebruikt.
Om hier nog meer profijt van te hebben werden door de molenmakers Gebrs. Poland uit Heerhugowaard in 1943 de klassieke wieken gestroomlijnd volgens het systeem-Dekker.
Deze vliegtuigvleugelvormige neuzen maakten dat de molen met minder wind al kon malen, hetgeen een aanzienlijke toename van het aantal beschikbare maaluren betekende.
Toen na de oorlog de energievoorziening weer normaal werd kwam ook in Blokker de windkracht definitief buiten gebruik en wel in 1949. Het maalbedrijf dat zich steeds meer uitbreidde had ruimte nodigen zo werden in de jaren '50 de koningsspil met tandwielen verwijderd en vervangen door opslagruimte (silo's).

In 1964 waren staart, wieken en stelling dermate bouwvallig geworden dat verwijdering terwille van de veiligheid onontkoombaar was. Er lagen toen nog 2 koppels maalstenen op de maalzolder. En zo stond daar dan, de grootste en landschappelijk meest dominerende molen van West-Friesland als kale verminkte molenromp, totdat omstreeks 1970 plannen tot herstel vorm begonnen te krijgen.