Een eeuw lang actief voor Hoorns erfgoed

Driehonderdvijftig jaar geleden stierf Theodorus Velius (2/2)

Een ervan profeteert:

'Zolang het Hop de Hoorenkroon
Van Amalthea zal bekranzen
Met mos, en om de wallen danzen:
Zo lang krijgt Velius zijn loon!
Zo lang zal men zijn lof vermeêren!
Gelijk een duitsche Tacitus,
Of Livius, of Flavius;
Die alle tongen moeten eeren'.

Dat deze lof, de schrijver en zijn werk toegezwaaid, meer is dan een classicistische stijlfiguur wordt alleen al duidelijk uit de afhankelijkheid van het moderne historische onderzoek van Velius' kroniek. Geen wetenschappelijke studie betreffende de geschiedenis van Hoorn en West-Friesland of naar Velius wordt verwezen, uit Velius wordt geciteerd. Veel van zijn gegevens zijn dan ook nergens anders te vinden. Niet alle, want - we hebben er reeds op gewezen - Velius heeft een veelvuldig gebruik gemaakt van het stadsarchief. Gaan we zelf met 'de oude papieren ende registeren' te rade dan herkennen we hierin belangrijke delen van de tekst. We kunnen de auteur aanvullen en soms zelfs corrigeren. Maar vooral, we raken onder de indruk van de grondigheid en nauwkeurigheid waarmee hij zijn archiefonderzoek verrichtte.
De originaliteit van historische werken is evenwel niet alleen-bepalend voor de waarde ervan. Zij willen niet alleen gebruikt, maar ook gelezen, ja 'genoten' worden. Zonder de Kroniek van Hoorn als een literair meesterwerk te willen bestempelen, mogen we - dunkt ons - toch wel stellen dat compositie en stijl van het boek uitgaan boven veel van wat toen in dit genre werd gepresteerd. Laten we Hoofts, 'Nederlandsche Historiën' buiten beschouwing dan kan Velius wedijveren met de beste voortbrengselen van de zeventiende-eeuwse historiografie. De compositie van het werk wordt uiteraard geheel bepaald door de opzet: het was, zoals we op pag. 1 lezen, een 'Chronyk van de Jaarlykse geschiedenissen van Hoorn, bijeen versamelt door Dr. D. Velius'. Maar binnen deze structuur van 'jaarboek' was er voor de auteur toch nog ruimte voor de opbouw van een historisch verhaal.
Niemand kan zeggen dat Velius zich niet streng aan de chronologie heeft gehouden. Het is een van de grote aantrekkelijkheden van de kroniek! Maar al in het begin blijkt nog een andere vraagstelling dan de chronologische (wat is er dit jaar weer gebeurd) de compositie te bepalen: die naar de oorsprong van het stedelijk leven in West-Friesland. In het bijzonder het ontstaan van Hoorn (ook van de naam) houdt Velius bezig. De stad is nog geen 30 jaar oud of de schrijver verlaat het pad van de lokale historie om het begin van de Hoekse en Kabeljauwse twisten uiteen te zetten. Een algemene beschouwing, die als achtergrond moet dienen voor de stadsrechtverlening in 1357!
Zo gaat het de hele kroniek door: steeds wordt de lokale geschiedenis, die soms uitgroeit tot regionale geschiedenis, geplaatst tegen de achtergrond van de algemene ontwikkelingen in de Nederlanden. Heel duidelijk blijkt dit uit de bladzijden die handelen over de eerste jaren van de regering van Filips II. Hier vinden we in het kort het ontstaan van de opstand tegen Spanje uiteengezet!
Veel van de beschreven lokale (c.q. regionale) gebeurtenissen houden rechtstreeks verband met de ontwikkeling op landelijk niveau. Zij komen eruit voort en bepalen haar mede. Het zijn deze gegevens die 'Velius' zo waardevol maken voor de beoefenaars van de algemene geschiedenis van ons land. Daarnaast memoreert de kroniekschrijver een ontelbaar aantal feiten dat meer in het bijzonder het verleden van Hoorn betreffen. Het zijn stadsaangelegenheden, zoals de aanleg van straten, de bouw van kerken en huizen, veranderingen in de regering en de regeringsvorm. Uiteindelijk zijn ook deze gegevens niet zonder belang voor de algemene geschiedenis, maar zeker de tijdgenoten van Velius ontging dit geheel en al. Ook de auteur zelf is zich hiervan geenszins bewust. Hij schaamt er zich zelfs een beetje voor zoveel details te geven. Aan het begin van het derde boek biedt hij de lezers z'n verontschuldigingen aan dat hij in zijn verhaal zo veel 'kleyne dingen' mengt. Zij moeten echter bedenken dat de kroniek 'voor niemand anders als alleenlijk voor onse Burgers geschreven word' die aan deze 'particulariteyten' juist zoveel plezier zullen beleven. Niet alleen de Hoornaars mogen Velius dankbaar zijn voor de mededeling van juist deze feiten. Hoe veel armer zou een werk als de 'Monumenten van Geschiedenis en Kunst' (West-Friesland) hierzonder zijn geweest!
Heeft Velius een vaste plaats gekregen in de geschiedenis van de Nederlandse historiografie, in die van de literatuur komt men zijn naam niet tegen. Hij is dan ook geen stylist op de manier van Hooft, die in kunstig gewrochte zinnen het epos van de Tachtigjarige oorlog verwoordt. De kroniekmatige opzet van het werk staat bovendien het aanleggen van literaire maatstaven in de weg. Maar toch, hoe zuiver is het taalgebruik van de schrijver van de Kroniek van Hoorn, in vergelijking met dat van iemand als zijn jongere tijdgenoot Claes Baerentsz., die een geschiedenis van West-Friesland op zijn naam zette. En er zijn in het boek passages van een sobere schoonheid en zeggenskracht, die voor het beste uit onze geschiedschrijving van de 17de eeuw niet onderdoen. Het pagina's-lange verhaal over de slag op de Zuiderzee (oktober 1573) zou in geen bloemlezing van zeventiende-eeuws proza misstaan!
Zoals velen van zijn tijd is Velius niet oud geworden. Op 58-jarige leeftijd, op 23 april 1630, kort na het gereedkomen van de derde druk van de kroniek (die dus eerst 18 jaar later zou verschijnen) stierf de Hoornse arts-geschiedschrijver. Pas in 1915 eerde Hoorn hem: door zijn naam te verbinden aan een nieuwe brug over de Oosterpoortsgracht (Draafsingel).

Bennebroek, voorjaar 1980

H. A. van Vessem